zondag, mei 30, 2010

Tekst oratie Rob Martens

Lees de oratie

maandag, mei 24, 2010

Jonge ondernemer bij Jort Kelder

Danny Mekic

zondag, mei 09, 2010

Industriebeleid Ron Kok

‘Mister innovatie’ haalt fel uit naar Philips, Shell en politiek Den Haag
7 mei 2010, 9:40 uur | FD.nl

Innovatie vindt plaats bij kleine bedrijven, niet bij de multinationals, constateert uitvinder en ondernemer Ron Kok.

Sterker, grote bedrijven hebben de neiging uitvindingen de nek om te draaien.
Voor Ron Kok (64), een van Nederlands succesvolste uitvinders, is het tijd om te zeggen hoe het ervoor staat in industrieel Nederland: heel erg belabberd. Den Haag prutst met haar subsidiebeleid voor het mkb, en grote ondernemingen als Shell dwarsbomen kleine bedrijven die met echte innovaties komen.
Kok spreekt net nadat OTB, het Eindhovense bedrijf dat hij 16 jaar geleden oprichtte, is verkocht. De grootaandeelhouders, onder wie John de Mol en Leo van Doorne, wilden af van het Eindhovense bedrijf dat machines levert om zonnecellen mee te maken. Koks geesteskind is verkocht aan zijn grootste rivaal: het Duitse Roth & Rau.
Bittere nasmaak
Voor Kok is het een wrang einde van een carrière die 25 jaar geleden echt begon. Toen maakte de man die op zijn veertiende van school afging, naam met een machine die volautomatisch, snel en goedkoop cd’s maakt. Die cd’s werden daardoor betaalbaar voor het grote publiek.
Later herhaalde Kok deze truc met een apparaat dat contactlenzen produceert voor de Amerikaanse gigant Johnson & Johnson. Shell onderkende zijn talent en betrok Kok eind jaren negentig bij de zonnecelfabricage. Kok heeft er een bittere nasmaak aan overgehouden, net als aan sommige contacten met Philips.
Buiten het bedrijfsleven viel Koks vernuft op bij organisaties als het World Economic Forum en de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR). Beide vroegen hem na te denken over innovatie. Zijn conclusie: overheden moeten hun pijlen veel meer richten op het midden- en kleinbedrijf. Daar vindt de vernieuwing plaats en niet bij de multinationals. Die hebben, volgens Kok, juist de neiging om veel uitvindingen de nek om te draaien. ‘Dat heb ik zelf een aantal keren verschrikkelijk hard ondervonden.’

Geef eens een voorbeeld.
‘Neem het Dutch Polymer Institute. Daar zit de overheid in met DSM, Akzo, Philips en al die andere grote jongens. Daar gaan honderden miljoenen naartoe. Ook wij werden gevraagd mee te doen, door TNO. Zij zeiden: wij hebben opdracht van de minister om het midden- en kleinbedrijf meer te brekken bij “non-competitive research”. Nou, wat hebben we gedaan? OTB heeft een machine ontwikkeld waarmee we lichtpanelen konden maken met oled (lichtgevend plastic, red.). We hebben daar, als klein ukkiepukbedrijfje, euro 2 mln in geïnvesteerd. Philips Lighting zou er proeven mee doen. Maar du moment dat die machine op de vloer staat, besluit het Polymer Institute eruit te stappen. Ik heb de machine moeten terugnemen. Maar liefst euro 4 mln heb ik moeten afschrijven!’

Wat bewijst dit precies?
‘Ik kan niets bewijzen. Maar ik heb gehoord dat Philips en Océ er mordicus tegen waren dat wij in die business - waarin zij eventueel ook een rol wilden spelen - een positie zouden verwerven. Kijk, het is heel ernstig dat ze in Den Haag allemaal de andere kant opkijken als zoiets gebeurt, en dat bij een bedrijfje met euro 50 tot 60 mln omzet dat zijn nek uitsteek en zo veel geld in r&d stopt.’

U heeft niet geprotesteerd?
‘Ik heb mijnheer Aptroot van de VVD een mail gestuurd. Die heb ik de hele zaak uitgelegd. Dat heb ik ook via andere mensen gedaan, maar ik weet niet of ik die namen moet noemen want dat ligt zo gevoelig. Enfin, ze zeiden: forget it, het is vechten tegen de bierkaai.’

Nog meer voorbeelden?
‘Shell. In 1996 komt Gosse Boxhoorn (de latere oprichter van Solland Solar, red.) bij me en vraagt: Ron, jij moet me helpen met die zonnecellenfabriek in Helmond. Wij hebben toen die eerste productielijn gebouwd. Uiteindelijk is die in Gelsenkirchen geplaatst, omdat ze veel meer subsidie kregen in Nordrhein-Westfalen. In 2001 hebben we de tweede lijn geleverd. Die hebben we samen met Shell en de TU Eindhoven ontwikkeld. Shell zei: oké, we doen mee, maar op één voorwaarde: we willen vijf jaar exclusiviteit houden. Nu ja, ik dacht: dat is goed, want zij hadden het over twintig lijnen. Dan praat je over euro 400 mln omzet. Dat vond ik prima. Dan kon ik als bedrijf fantastisch groeien, dan hadden we een mooie omzet, konden we de diepte ingaan en nog wat nieuwe dingen uitvinden. Maar na die tweede lijn heeft Shell afscheid genomen van de zonnecelindustrie. Ze hebben de hele rotzooi verkocht. Maar ze hielden wel vast aan die exclusiviteit. Dat was precies in 2002, toen die Duitse zonnecelindustrie enorm begon te “boomen”. Om die reden heeft OTB daar toen de boot gemist. Dat neem ik Shell kwalijk.’

Dus alle ellende begint bij die grote bedrijven?
‘Nee, Den Haag moet al dat geld niet aan die grote bedrijven geven. Dat verwijt ik Den Haag. Je wilt toch dat mensen zich innovatief kunnen ontplooien? Dan moet je zorgen dat de mensen die aan de basis iets ontwikkelen ook de kans krijgen om de subsidie te benutten. Maar het is voor Den Haag natuurlijk makkelijker om zaken te doen met twintig grote bedrijven dan met een kippenhok van 10.000 kleine, eigenwijze baasjes.’

Er zijn toch subsidies, speciaal voor het mkb?
‘Ja, die innovatievouchers. Maar als je, zoals ik, euro 6 à 8 mln aan r&d besteedt en je krijgt mevrouw Van der Hoeven aan de telefoon en die zegt: u kunt een voucher van euro 2500 afhalen, maar dan moet u eerst vijftien formulieren invullen - ja, sorry hoor, maar twee techneuten van mij kosten meer op een dag. En dan heb je de regionale ontwikkelingsmaatschappijen. Dat gaat om bedragen… als ik met veel vijven en zessen euro 1 mln bij elkaar kan jassen: ja, dan moet je je afvragen of het allemaal zin heeft. Al die subsidies zijn ook nog eens projectgebonden. Na anderhalf jaar moet je weer aan de bel trekken. Maar je kunt van een klein bedrijf niet eisen dat ze een uitvinding binnen een jaar marktrijp maken? Ondertussen zijn die techneuten - dat zijn dure jongens, die heel moeilijk te krijgen zijn - alweer vertrokken. Dat kan het mkb zich niet permitteren!’

Komt niemand op voor het mkb?
‘Hoe heet die baas van MKB-Nederland ook alweer? Loek Hermans. Nou, “I wish you a lot fun”. Het zijn ceremoniële functies, lekker meelullen met de rest.’
Ziet u in het buitenland hoe het wel moet met innovatie?
‘Als ik dat ga zeggen, dan zeggen ze: daar heb je dat verwende jongetje weer, die Kok, die ons gaat vertellen dat wij het verkeerd hebben gedaan. Dat werkt toch niet?’

U heeft zich toch bewezen?
‘Ik ben iemand met een mening en ik ben iemand die iets heeft achtergelaten. Ik heb toch op een bepaalde manier de industrie kunnen beïnvloeden. Als ik die machine indertijd niet had gebouwd dan zou de cd nooit zo’n wereldsucces zijn geworden.’

Maar waarom loopt Nederland achter op innovatiegebied?
‘Omdat er geen industriebeleid is. Ik heb dat ook aan Maria van der Hoeven gezegd: ik heb haar het rapport van de WRR aangeboden met een analyse waarom de innovatie mislukt. En weet je wie er niet waren? De twintig grootste bedrijven die altijd vooraan staan als de minister er is. Uit protest. Want in dat rapport staat het: dat het innovatiebeleid veel meer op het midden- en kleinbedrijf moet zijn gericht.’

Koester het verdienvermogen FD artikel van Jan Mengelers voorzitter RvB TNO

Koester het verdienvermogen
07-mei 2010
.
Jan Mengelers

Maak innovatie en toegepast onderzoek kern van nieuwe sociaaleconomische strategie

Europa is in 2010 niet de meest concurrerende en innoverende economie ter wereld geworden.
En Nederland daalt al jaren op alle lijstjes, terwijl het in de top 5 wil staan qua concurrentie, innovatie, en vestigingsklimaat. Hoogste tijd om het praten achter ons te laten, en aan het werk te gaan: niet polderen maar presteren.
Nu de heroverwegingsrapporten zijn verschenen en de politiek zich opmaakt voor verkiezingen en kabinetsformatie, richt de discussie zich op het verdelen van de bestaande welvaart.
Ondertussen verschuift de Nederlandse ambitie om bij de vijf van meest concurrerende landen ter wereld te horen naar de achtergrond.

De discussie moet gaan over de vraag hoe wij ook in de toekomst onze welvaart en ons welzijn veilig stellen.

Ondanks de sterke economische groei in het eerste decennium van deze eeuw, zijn de inspanningen voor research en development teruggelopen.

Op de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum zakte Nederland van de achtste naar de tiende plaats.

Qua innovatie doen we het nog slechter, door afgenomen aandacht voor research en development.

Zoals Rinnooy Kan het laatst zei: Wie denkt dat kennis duur is, kent de prijs van domheid niet.

Rendement op investeringen in kennis en innovatie is niet morgen, maar pas overmorgen zichtbaar.
Onder druk van bezuinigingen dreigen juist deze langetermijninvesteringen het loodje te leggen. Dat is in het verleden gebleken, dat dreigt ook nu weer.
Innovatie is van iedereen, dus van niemand. Actuele noden en zorgen concurreren harder en dringender om geld dan het langetermijnbelang van onderzoek en ontwikkeling. Toch is het kortzichtig. De enige mogelijkheid om in de toekomst een hoog niveau van (bijvoorbeeld) gezondheidszorg of onderwijs te kunnen financieren is een op behoud en groei van welvaart gerichte strategie.

Terecht stellen we eisen aan die groei, zoals duurzaamheid, klimaat- of energieneutraliteit, of het voorkomen van roofbouw op de Derde Wereld.
Des te noodzakelijker is het om kennis en technologie ook nu hun historische rol van productiviteits- en kwaliteitsverbetering te laten spelen.
Van stilstand in vernieuwing en technologie wordt geen enkel productieproces duurzamer, schoner, of eerlijker.

Nederland, Europa, maar ook de Verenigde Staten en Japan worstelen met het verwerken van de financiële crisis die hard toesloeg. Hoge tekorten zijn onhoudbaar, tasten de welvaart aan en leggen een molensteen van rente en aflossing om de nek van volgende generaties. Maar de rest van de wereld draait wel door.

Opkomende landen als Brazilië, Rusland, en in het bijzonder India en China, laten dubbele groeicijfers zien, die al lang niet meer stoelen op louter lage lonen, maar steeds meer ook op innovatieve producten, technologie en processen.
Daarmee verschuiven economische en ook politieke zwaartepunten in de wereld.

Het gevaar dreigt dat de rest van de wereld ons ver vooruit is gesneld omdat wij bezig waren met de welvaart en de wereld van gisteren en ons toekomstig verdienvermogen hebben verwaarloosd.
Het zou een historische vergissing zijn als de financiële crisis leidt tot minder aandacht voor onderzoek en ontwikkeling.
Andere landen - Duitsland, Frankrijk, ook de Verenigde Staten - begrijpen dat en kiezen voor méér investeringen in kennis en onderzoek, ondanks de financiële problemen.

Bijna tachtig jaar geleden begrepen we in vergelijkbare omstandigheden de tekenen des tijds goed en werd, bij wet, TNO opgericht om precies dat te realiseren, wat ook nu weer moet: het versterken en versnellen van de aanpassing van onze economie en productie aan nieuwe economische verhoudingen. Toepassingsgericht onderzoek levert aantoonbaar geld op; elke euro investering in research en development levert euro 7 tot euro 10 op aan omzet- en winststijging, kostenreductie en (additionele) investeringen. Volgens een evaluatie leverden euro 42 mln EZ-subsidies in cofinanciering met het bedrijfsleven tot euro 364 mln extra omzet, euro 175 mln kostenbesparing, euro 41 mln winststijging en euro 34 mln extra investeringen. Dit vertaalt zich direct naar werkgelegenheid. Als TNO er niet zou zijn, zouden we het vandaag oprichten: TNO slaat bij uitstek de brug tussen hoogstaand fundamenteel onderzoek in Nederland en de toepassing ervan in het bedrijfsleven. Dat maakt TNO tot een unieke waarde, waarop veel Europese landen jaloers zijn.
Zo bouwt Groot-Brittannië de Maxwell-institutes, een soort TNO, weer op, nadat ze 30 jaar geleden werden opgeheven en hun functie bij universiteiten waren ondergebracht.

Innovatie en toegepast onderzoek moeten toekomstige economische welvaart zeker stellen en verdienen de kern te zijn van de sociaaleconomische strategie van het toekomstig kabinet. Natuurlijk kan kritisch worden gekeken naar de gegroeide versnippering in het onderzoeksveld, onder meer door fragmentarische besluitvorming over de besteding van de aardgasbaten. Vreemd genoeg zijn juist die in het heroverwegingsrapport over innovatie niet in de beschouwingen betrokken.

Er dreigt een nieuw, jarenlang gesprek over de kennisinfrastructuur, wellicht nieuwe commissies die alles nog eens bestuderen.

Polderen is niet de oplossing, de uitdagingen liggen aan de andere kant van onze dijken.
Nodig is geestdrift, een activistische opstelling, geloof in eigen kunnen en meer verantwoordelijkheid voor kennissectoren die de taken van het innovatieplatform moeten overnemen.
Niet op elkaar wachten, niet zwartepieten, geen lang gevecht om de centen, maar aan het werk.

Ir. J.H.J. Mengelers is voorzitter van de Raad van Bestuur van TNO.

Copyright (c) 2010 Het Financieele Dagblad

zaterdag, mei 08, 2010

woensdag, mei 05, 2010

Inclusieve economie

INCLUSIEVE ECONOMIE

Economische ontwikkelingen zijn niet volledig te voorspellen. Zeker is wel dat in elke conjunctuur non-participatie van mensen geld kost. Zeker is ook dat op dit moment de beroepsbevolking in Nederland vergrijst en de potentiële beroepsbevolking krimpt. Als de economie weer groeit, dreigt opnieuw krapte op de arbeidsmarkt, ook omdat een nieuwe groep werklozen van het arbeidsproces is vervreemd. Het loont daarom om de inzetbaarheid van mensen blijvend te vergroten en tegelijkertijd het bestaande arsenaal aan banen aan te passen. 

De arbeidsmarkt is imperfect

Op de markt van producten en diensten komen vraag en aanbod van consumenten en producenten bij elkaar. Op de arbeidsmarkt zijn diezelfde producenten werkgevers en is een deel van de consumenten werkzoekend. Werkgevers en werknemers hebben elkaar nodig, maar op de arbeidsmarkt wordt te vaak een imperfect product verhandeld. Er is niet altijd een fit, een match tussen vraag en aanbod. Daardoor verslechteren de concurrentiepositie van producenten en de maatschappelijke en economische positie van degenen die niet gekozen worden. Vacatures blijven onvervuld, talenten blijven onbenut en de wig groeit: de sociale premiecomponent in de loonkosten van de werkenden moet omhoog om de uitkeringen voor de werkzoekenden te financieren.  Overheid, onderwijs en zorg hebben de instrumenten om de uitgangspositie van werkzoekenden en laaggeschoolde werkenden te verbeteren. Het bedrijfsleven en de overheid in haar rol als werkgever kunnen door het aanpassen van hun totstandkomingstechnologie hun bedrijfsprocessen beter laten aansluiten op het bestaande arbeidsaanbod.  Het rendement van deze inspanning wordt duidelijk aan de hand van het begrip inclusieve economie. 

Non-profit bestaat niet

De inclusieve economie waardeert het verband tussen het productieve en het sociale vermogen in een samenleving. Indicatoren voor productief vermogen zijn de niveaus van ingezette arbeid, kapitaal en technologie en de toegevoegde waarde die ze opleveren. Indicatoren voor sociaal vermogen zijn het niveau van menselijk kapitaal, het functioneren van instituties en de mate waarin uitsluiting van individuen en groepen ontbreekt.  Uitsluiting, of die nu sociaal of economisch is, keert zich uiteindelijk tegen de uitsluiters. Insluiting is daarmee in ieders belang.  De inclusieve economie integreert de kenmerken van de reguliere en de sociale economie. Zowel reguliere als sociale ondernemingen richten zich voornamelijk op één waarde: de ene op financiële winstmaximalisatie, de andere op de realisatie van een maatschappelijk doel. De kosten van deze ‘eenwaardigheid’ vallen in beide gevallen buiten de onderneming zelf. De inclusieve economie waardeert het vergroten van het productieve én het sociale vermogen als winst, ongeacht de organisatievorm en ongeacht de sector. Kern van de inclusieve economie is dus meerwaardigheid.  Vanuit de overheid gezien bevindt de inclusieve economie zich op het snijvlak van economische en sociale politiek. Er is immers niet alleen een positief verband tussen participatie op de arbeidsmarkt en economische groei, maar ook tussen participatie en veiligheid, gezondheid, sociaal en politiek burgerschap en overdracht van menselijk kapitaal aan volgende generaties in de vorm van kennis, competenties, veerkracht en energie.  Werk is daarom meer dan een simpele transactie, een productiefactor waar een financiële vergoeding tegenover staat. Arbeidsparticipatie dient meerdere doelen en is de sleutel tot sociale stijging. De extra waarden legitimeren ook de extra (financiële) inspanningen die nodig zijn om belemmeringen op te ruimen die participatie in de weg staan. 

DE WINST VAN DE INCLUSIEVE ECONOMIE

Winst voor bedrijven

In de huidige wereldeconomie moet de productiviteit van werknemers in landen met een relatief hoog salarisniveau behoorlijk groot zijn om in de micro-economie van het bedrijf te renderen. Veel tussenlagen zijn daarom weggesneden. Werkgevers nemen liever te hoog gekwalificeerde mensen aan die niet of nauwelijks ingewerkt hoeven worden dan medewerkers die meer begeleiding nodig hebben.  Het is voor ondernemers geen voor de hand liggende keuze om in zee te gaan met mensen die minder dan het minimumloon opleveren aan omzet of hun loonwaarde (nog) niet aan kunnen tonen. Toch kunnen ze – naast het terugdringen van de belasting- en premiedruk die voortvloeit uit de maatschappelijke kosten van non-participatie - op meerdere fronten winst behalen en uiteindelijk hun totale productiviteit verhogen.  Door mensen in een werkomgeving te plaatsen, wordt hun intrinsieke motivatie aangeboord. Voordeel van medewerkers die op een lager ontwikkelingsniveau in een bedrijf binnenkomen is dat ze weliswaar nog uit moeten vinden waar hun hart sneller van gaat kloppen, maar dat werkgevers dat proces kunnen sturen waardoor ze uiteindelijk de juiste ‘fit’ realiseren. De inzet van de ervaring en deskundigheid van oudere werknemers volgens het meester-gezelmodel verlengt bij hen de inzetbaarheid en vergroot hun werkplezier.  Ervaren krachten besteden gemiddeld dertig procent van hun tijd aan taken onder hun niveau; afsplitsing van die taken schept bij hen ruimte voor hernieuwde inzet, initiatief en creativiteit. Mensen die in de laagste schalen een bedrijf instromen zijn goed te binden door het perspectief van een geleidelijke carrière. Zij zijn gebaat bij een trapsgewijze toename van taken en verantwoordelijkheden. Juist als ze belemmeringen hebben moeten overwinnen zijn ze extra gemotiveerd om te presteren. Werknemers die te hoog gekwalificeerd zijn binnengekomen, zijn ook sneller weer uitgekeken waardoor ze vertrekken of hun energie verliezen als ze te lang blijven zitten.  Betrokkenheid genereert altijd productiviteit. De in-company ontwikkeling van personeel helpt mee om te voorkomen dat er gaten vallen in de personeelsbezetting door de vergrijzing en waarborgt zo de bedrijfscontinuïteit. Er kan uit de eigen kweekvijver worden gevist. Duur betaalde overuren en inhuur nemen af. Minder outsourcing en meer eigenaarschap voorkomen tijd- en geldverspilling. 

Winst voor individuen
Deelname aan het arbeidsproces heeft voor werkenden meerdere opbrengsten.  Werk vertegenwoordigt natuurlijk een economische waarde. Mensen ontvangen inkomen in ruil voor hun geleverde arbeid, kunnen producten en diensten kopen, betalen belasting en lopen minder kans in een schuldenspiraal terecht te komen. Werk vertegenwoordigt ook een aantal maatschappelijke waarden.  Toekomstperspectief, sociale contacten, ontplooiingskansen, zinvolle tijdsbesteding, zelfrespect en waardering door de omgeving. Werkenden zijn gezonder dan mensen die langdurig afhankelijk zijn van een uitkering en doen minder een beroep op zorgvoorzieningen. 

Winst voor de BV Nederland
Hoe minder mensen aan de kant staan, hoe minder werknemers en werkgevers af hoeven dragen ten behoeve van de niet-werkenden, hoe hoger de belastinginkomsten en hoe kleiner het vergrijzingsprobleem. Het beroep op de zorg en de uitgaven voor veiligheid nemen af naarmate meer mensen deelnemen. Hoe meer mensen zich ontwikkelen, hoe meer ze kunnen meegeven aan hun kinderen. Hoe meer mensen in hun eigen inkomen voorzien, hoe collectiever dat arbeidspatroon aan de volgende generatie wordt overgedragen.  We beoordelen mensen nu te digitaal: ze doen mee of ze doen niet mee. Het wordt tijd onze sociale systemen efficiënter uit te nutten. Het rendeert meer om alle productiviteit die er is te gebruiken, ook al is die op het niveau van het individu geen honderd procent. De terughoudendheid bij uitkeringsinstanties om mensen in deeltijd of in tijdelijke banen te laten werken is niet rationeel. Werkervaring vergemakkelijkt altijd het vinden van ander werk. Bovendien kan ontwikkeling zowel horizontaal plaatsvinden (toename van vakbekwaamheid) als verticaal (toename van flexibele inzetbaarheid). We hebben oranje twilightzones nodig tussen het groen van volop meedoen en het rood van buitensluiten. Net zoals publiek en privaat onder invloed van de economische crisis samenwerken in de deeltijd-WW om acuut verlies van potentieel te voorkomen, loont het altijd om onbenut potentieel gezamenlijk productief te maken en de kosten en baten daarvan te delen. 

Een andere totstandkomingstechnologie
Voorwaarde voor het beter benutten van die potentiële toegevoegde waarde is het anders inrichten van bedrijfsprocessen. Dat kan door functiedifferentiatie (het effectiever toedelen van taken aan functies), waardoor meer lager gekwalificeerde werknemers in het arbeidsproces kunnen instromen, de arbeidssatisfactie van hoger gekwalificeerd personeel groeit en de productiviteit per saldo toeneemt. Dat kan door oudere werknemers die fysiek een stapje terug moeten doen in te zetten als mentoren, door ruimte te scheppen voor meester-gezelconstructies. Dat kan door soms meer gebruik te maken van mensen dan machines of productieslagen terug te halen. Dat kan door het lef te hebben vanzelfsprekendheden op hun geldigheid te onderzoeken, van werkroosters tot cultureel bepaalde omgangsvormen. Dat kan door de praktijkscholen in de bedrijven te brengen. Dat kan door hogescholen een opleiding te laten ontwikkelen om de totstandkomingstechnologie in bedrijven aan te passen. Dat kan door meer te denken in termen van human being dan van human resource. Dat kan door gebruik te maken van alle (financiële) ondersteuningsmogelijkheden die de overheid te bieden heeft.  We gaan voorbeeldbedrijven in elke relevante sector creëren. We verleiden individuele bedrijven naar de voorbeeldfunctie en zetten zo een kettingreactie in gang. Waar nodig financieren we uit publieke middelen het productiviteitstekort van de mens, de begeleiding en de scholing. De overheid houdt de administratieve rompslomp beperkt en levert waar gewenst expertise en jobcoaches. In een toenemend aantal bedrijven lopen of starten grote en kleine initiatieven. Met elkaar kunnen we een reeks varianten op poten zetten die aansluiten op de specifieke omstandigheden van elk bedrijf.

Bureau Arbeidsmarktmeester

Werk voor Rotterdammers

maandag, mei 03, 2010

Rotterdam coalitie afspraken 29 april 2010

Nieuwe coalitie Rotterdam presenteert akkoord 29 april 2010 | Bestuursdienst

Investeren in talentontwikkeling, duurzame economische groei en een veilige, schone en mooie stad.

Verder een gezonde financiële basis en scherpe keuzes, de basis op orde met accent op uitvoering en een grotere betrokkenheid van burgers en ondernemers. Dat zijn de zes speerpunten waar de coalitiepartijen PvdA, VVD, D66 en CDA zich de komende vier jaar op richten. Vandaag presenteerden zij het coalitieakkoord ‘Ruimte voor Talent en Ondernemen’. Het nieuwe college zal bestaan uit acht wethouders, waarvan vier wethouders een 0,8 fte aanstelling krijgen. 
Investeren in talentontwikkeling door onderwijs, werk en sport Rotterdam trekt de komende vier jaar een totaalbedrag uit van € 90 mln. om invulling te geven aan de ambities op het gebied van onderwijs, sport en veiligheid. Vanaf 2015 is hiervoor € 37,5 mln. structureel extra beschikbaar. Naast het aantrekken van betere leerkrachten, richt de stad zich op een betere aansluiting van het VMBO op het MBO. Ook worden de vak- en wijkscholen verder uitgebreid en krijgt toptalent alle ruimte. Dit om het aantal vroegtijdig schoolverlaters terug te dringen. Rotterdam investeert daarnaast extra in brede scholen. Om participatie te bevorderen en armoede te bestrijden, gaat iedereen aan het werk, betaald of onbetaald. Omdat sportparticipatie bijdraagt aan de ontwikkeling en gezondheid van Rotterdammers moet deze omhoog tot 70% in 2016. 

Duurzame economische groei
Rotterdam wil de regionale en stedelijke economie verder versterken door stad, haven en duurzaamheid met elkaar te verbinden, waarbij de internationale koploperspositie van de haven verder wordt uitgebouwd. Naast een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor internationale bedrijven, wil de stad nadrukkelijk midden- en kleinbedrijven aan zich binden. Ook moet de Rotterdamse arbeidsmarkt aantrekkelijker worden voor hoger opgeleiden. Door te investeren in onderwijs en talentontwikkeling wordt de mismatch tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt verder aangepakt. Betere en snellere dienstverlening, één gemeentelijk aanspreekpunt voor ondernemers en vereenvoudiging van procedures, moeten zorgen voor een betere service. Zo worden winkelopeningstijden verruimd tot 22:00 uur en gaan de kosten voor parkeervergunningen en precariorechten voor gevelreclame omlaag. 

Veilige, schone en mooie stad
Het huidige beleid ten aanzien van onveilige en probleemwijken wordt krachtig voortgezet, met meer aandacht voor preventie. De inzet van wijkconciërges moet ervoor zorgen dat de leefbaarheid in wijken verder omhoog gaat. Daarnaast moet meer menselijk toezicht de veiligheid in het openbaar vervoer vergroten. Rotterdam houdt vast aan de keuzes die gemaakt zijn in de Stadsvisie, waarbij voor de uitvoering de komende vier jaar in totaal € 143,5 mln. wordt vrijgemaakt. Vanaf 2015 is een structureel bedrag van € 50 mln. per jaar beschikbaar voor de Stadsvisie. Een gevarieerd woningaanbod moet Rotterdammers binden aan de stad, met meer woningen voor starters en een betere doorstroming vanuit de starterswoningen. Wat betreft de cultuursector wordt bekeken hoe kunst- en cultuurgebouwen beter en efficiënter benut kunnen worden. Bij sluiting van enkele bibliotheken wordt eerst gezorgd voor vervangende voorzieningen.

Gezonde financiële basis en scherpe keuzes
Rotterdam krijgt de komende jaren te maken met een bezuinigingsopgave van €255 miljoen per jaar. Dit komt enerzijds door de teruglopende inkomsten vanuit het Rijk en de inkomsten uit gronden en dividenden. Anderzijds wil Rotterdam ruimte vrijmaken voor investeringen. De coalitie maakt daarom scherpe keuzes. Minder regels en beleid, meer richten op uitvoering. 

Accent op uitvoering en grotere betrokkenheid burgers en ondernemers
De coalitiepartijen willen bewoners, ondernemers en partners in de stad actief betrekken bij de duurzame ontwikkeling van de stad. Uitgangspunt hiervoor zijn de aantal basisvoorwaarden: veiligheid, huisvesting, gezondheid, welzijn en maatschappelijke ondersteuning. De coalitie kiest voor een lichte lastenverlichting voor burgers en bedrijven, bijvoorbeeld door verlaging van de OZB-tarieven voor huiseigenaren en bedrijven vanaf 2011. Ook wordt de eerste parkeervergunning voor Rotterdammers de helft goedkoper. Daarnaast kunnen 65+-ers ook de komende vier jaar gratis reizen met het openbaar vervoer in Rotterdam. 

Bestuursstijl
De nieuwe werkwijze die de partijen voorstaan vraagt om een college dat de verbinding zoekt met burgers, bedrijven en nadrukkelijk ook met de raad in zijn volledige breedte. Voor de zomer komt er een kaderbrief voor de begroting 2011 en een eerste uitwerking van dit akkoord. Het college wordt opgedragen om hierover overleg te voeren met de raad. Voor de begrotingsbehandeling wordt het college gevraagd een concreet werkprogramma voor de komende vier jaar op te stellen. In mei wordt het nieuwe college geïnstalleerd.

Antenne Rotterdam en creatief beheer

Prachtig buurtwerk met tuinen

zondag, mei 02, 2010

Aanbod ZZP werk

aanbod

This is the first day of the rest of your life