donderdag, maart 31, 2011

Onderwijs

Onderwijs

innovatie

goede info

Rotterdam en multicultureel

Multiculturele programma’s Rotterdam

Multiculturele programma’s

Landelijk

dinsdag, maart 29, 2011

zondag, maart 27, 2011

Verslag Kansrijk Verbinden in Zuid november 2010

Pact op Zuid

wil de kansen voor de jeugd van Zuid op de onderwijs- en arbeidsmarkt vergroten door hen een kansrijke studiekeuze aan te reiken, die aansluit bij de kansrijke sectoren van de Stadsvisie van de gemeente Rotterdam. Pact op Zuid verbindt zich met de reguliere spelers om zo de aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt te verbeteren, samen met hen een
gezamenlijke strategie te ontwikkelen en de implementatie daarvan te realiseren. Belangrijk is dat de 3 O’s (onderwijs, ondernemers en overheid) goed samenwerken en dat zowel onderwijs, ondernemers en overheid gebundeld stappen kunnen zetten.

Huidige situatie
Hoe kunnen bedrijven elkaar versterken bij het vinden van geschikt personeel? Op dit onderdeel gaf Jean Paul Sosef, vestigingsdirecteur van Wolter & Dros, een toelichting. Er is 12% werkloosheid, waarvan 4% moeilijk plaatsbaar is. Dat betekent dat 8% arbeidspotentie heeft. Door mensen in de juiste richting op te leiden en talenten te stimuleren kunnen de vacatures opgevuld worden. In de regio is het werk (Maasvlakte), in de stad zitten de werklozen. De afstand is fysiek niet ver, mentaal wel. Op sociaal gebied is er vaak geen match en moeten werklozen op het werk veel begeleid worden. De uitval is te hoog en het niveau te laag. Wanneer het mogelijk is leerlingen twee niveaus op te schalen, zijn ze wel geschikt voor het bedrijfsleven. Ondernemers zijn enthousiast en willen investeren, maar komen niet verder.

Het onderwijs heeft ook te kennen gegeven dat de huidige technische opleidingen door het teruglopend aantal studenten ook voor hen niet meer rendabel zijn. Bedrijven geven het belang aan om de scholen in een bedrijfsomgeving (liefst op een bedrijventerrein grenzend aan een woongebied) te vestigen om daar een brede techniekopleiding aan te bieden.

Mogelijke strategie
Als aard van het ontstane probleem wordt genoemd dat techniek uit het normale straatbeeld is verdwenen. Jongeren hebben geen idee meer wat er allemaal gebeurt in de techniek sector. Om het verloren terrein te heroveren moet op een aantal aspecten ingezet worden:

1. techniek weer zichtbaar en aantrekkelijk maken
(verleidingsaspect), negatieve vooroordelen (vuil, zwaar werk) wegnemen en relatie leggen met innovatie (techniek is mooi en sexy);

2. twee technische vakscholen in Rotterdam die het toonbeeld zijn van de technieksector en het beroepsonderwijs;

3. werkzoekenden opleiden binnen technische bedrijven; bedrijven willen zich daarvoor inzetten. Belangrijk is om de belangstelling bij jongeren en hun ouders al vroeg aan te wakkeren, al op de basisscholen. Dat gebeurt al wel met de brandweer en politie.

Ervaringen uit de praktijk

1. KMR
Stichting KMR (Kennisinfrastructuur Mainport Rotterdam) is een samenwerkingsverband van het regionale bedrijfsleven (haven en industrie), de regionale onderwijsinstellingen en lokale overheden. Zij heeft tot doel de economische structuur te versterken middels innovatie in de kennisinfrastructuur. Belangrijk onderdeel daarbij is om structuur aan te brengen in alle initiatieven die op dit gebied langs elkaar heen werken. Door middel van publiekprivate samenwerking werkt KMR (als intermediaire partij) aan optimalisatie en vernieuwing van een kennisinfrastructuur (onderwijs en onderzoek) die nauw aansluit bij en meegroeit met de kennisbehoeften van het betrokken bedrijfsleven. Binnen deze missie richt de kern van de activiteiten van KMR zich op het terrein van het technisch-economisch onderwijs in de regio Rotterdam/Rijnmond/Drechtsteden.

Vanuit de aanwezigen werd het KMR aangewezen als de spil waar het gaat om het verder uitwerken van een strategie. Centraal in de strategie staan het onderwijs en bedrijfsleven die samen de studiekeuze van jongeren (met name van Zuid) kunnen beïnvloeden. De verwachting is dat deze jongeren meer voor techniek kiezen wanneer zij op de hoogte zijn van de aantrekkelijke marktmogelijkheden. Mary Dotsch van KMR pakte deze rol voor haar organisatie direct van harte op.
De aanpak van KMR kenmerkt zich door samenwerking met het onderwijs, maar dat gaat nog moeizaam. KMR vraagt om het bundelen van geldstromen, een gezamenlijk verhaal en een gedeelde strategie.

Manifest VMBO-T
“Er moet zowel op Noord als op Zuid een technische school komen.”
Dat is het doel dat gesteld is in het manifest “Wie redt het VMBO Techniek in de stad Rotterdam” dat is ingediend in maart 2010 door KMR en 80 bedrijven. Er is nu te weinig instroom in VMBO Techniek terwijl er steeds meer vacatures ontstaan. Als dit daadwerkelijk gerealiseerd wordt, gaat het bedrijfsleven daarvan profiteren.

2. Arbeidsmarktgericht opleiden

We moeten nadenken over mogelijkheden voor arbeidsmarktgericht opleiden. Een goede stap zou zijn om beroepsprofielen vanuit het bedrijven af te zetten tegen de onderwijsprofielen. Het beeld is nu dat scholen vooral doen waar ze voor betaald krijgen: zoveel mogelijk diploma’s afgeven. Rob van Engelenburg, FME, opperde het idee om scholen bijvoorbeeld te gaan belonen voor het aantal arbeidscontracten bij het einde van opleiding. Dat is een alternatief voor de huidige prikkel, waarbij scholen moeten gaan nadenken over het vergroten van de marktkansen van hun studenten. Of nieuwe mengvormen van onderwijs/werken: 50% leren op school, 50% leren in het bedrijf. Het gaat immers om de waarde van mensen.
Kanttekening: het breed opleiden voor de maatschappij is de taak van school. Een arbeidscontract klinkt aantrekkelijk, maar het behalen van een diploma waarmee ze kunnen doorstromen naar hoger onderwijs is dat ook. Het onderwijs wil zoveel mogelijk mensen in de techniek hebben. Albeda heeft al een vakcollege op Zuid. Cile Reniers van Albeda gaf aan dat zij er voorstander van zijn dat de opleidingen dicht bij huis aangeboden worden. Het starten van een gezamenlijke technische school is een goed idee, maar dan wel liefst midden in de wijk, omdat veel jongeren tot 16/17 jaar veelal niet buiten hun eigen wijk komen. Heleen de Haan, Nieuw Zorgbeheer, heeft ervaring met peercoaching en benadrukte om vooral snel concreet te worden, anders verliezen we weer een kostbaar jaar.

3. Succesvolle initiatieven

Als er nu niets gebeurt zakt het aantal leerlingen in het techniek onderwijs onder de minimale aantallen die noodzakelijk zijn om opleidingen in stand te kunnen houden. Scholen stoppen dan met deze opleidingen, terwijl het aantal vacatures (mede door de vergrijzing) alleen maar toeneemt. Dat moet gekeerd worden. De praktijk leert dat dat ook kan. Rob van Engelenburg, FME, noemde initiatieven waarmee goede resultaten behaald zijn: Nieuwkoop, Delft, Terborg, Enschede. Deze regionale bedrijfsvakopleidingen hebben een aanzuigende werking, waardoor weer meer leerlingen voor techniek kiezen. Het aantal leerlingen nam toe van 0 tot 40. Best practices waarvan te leren valt.

4. Coördinatiepunt

Chantal van Dord regt, deelgemeente Charlois, opperde het idee van een coördinatiepunt voor beroeps- en studiekeuzeprogramma’s. Er gebeurt in Rotterdam al heel veel op dit gebied, waarvan anderen kunnen leren. Een punt waarin die kennis en ervaring wordt verzameld kan helpen om nog effectievere programma’s te ontwikkelen. Frank Coomans, OBR Economie, bood aan om in samenwerking met KMR, Deltalinqs en EEC te bekijken of er zo’n fysiek punt kan komen.

5. Cultuurspecifieke aanpak

Hoe kunnen we de culturen op Zuid mee laten participeren in de oplossingen? Harry van der Voorn, Zadkine, adviseerde rond dit vraagstuk een integrale business case te ontwikkelen. Onderdeel daarvan zouden acties moeten zijn gericht op ouders, als de belangrijkste beïnvloeders van de studiekeuze van hun kinderen.
Binnen veel culturen is een sterke voorkeur voor kantoorbanen in de administratie en handel. Er leven achterhaalde denkbeelden over de technieksector. Hoe kunnen we ook
in de beeldvorming van ouders de kansen in de techniek aantrekkelijk maken? Bijvoorbeeld door ze het zelf te laten ervaren, door ze mee te nemen in bedrijven en ze te laten zien wat er allemaal mogelijk is. En misschien moet er ook wel gesproken worden met imam’s of buurtvaders om een cultuuromslag te bereiken.

6. West-Europese samenwerking

Tirza Kouwenberg, SoZaWe, gaf aan dat zij ook in West-Europees verband zoekt naar samenwerking met steden en regio’s met een soortgelijke problematiek, en op basis daarvan nagaat welke mogelijkheden er zijn voor gedeeltelijke subsidiëring van de ontwikkelingskosten van de strategie en de uitvoering van enkele implementatiemaatregelen.

Vervolg
Tijdens de brainstormsessie is de volgende initiatiefgroep geformeerd:
- Mary Dotsch - KMR
- Cile Reniers – Albeda
- Harry van den Voorn - Zadkine
- Willem Sulsters & Hidde van de Veer - IkZitopZuid
- Jeroen den Uyl – Twijnstra Gudde
- Chantal van Dordregt – deelgemeente Charlois
- André de Groot – Pact op Zuid

Zij gaan zich bezig houden met de verdere ontwikkeling van de strategie om te komen tot meer mogelijkheden voor “marktgericht onderwijs”. Uiteraard zullen in de verdere uitwerking ook andere aanwezigen betrokken worden en zal de voortgang teruggekoppeld worden.

Input voor de “marktgericht opleiden” strategie:
- leren van succesvolle voorbeelden;
- techniek tussen de oren van kinderen en ouders; - starten op basisscholen;
- basisscholen en middelbare scholen betrekken bij de strategie;
- samenwerking tussen publiek en privaat;
- concrete doelen stellen: bijv. over 4 jaar 100% meer leerlingen techniek en 2 techniekscholen in Rotterdam;
- onderscheid tussen acties op de lange en vooral ook resultaten op korte termijn;
- verschillende culturen vragen verschillende aanpakken; - een fysiek coördinatiepunt is wenselijk.

Achtergrond
Kansrijk Verbinden sessies

André de Groot, procesmanager Economie en Arbeidsmarktparticipatie voor het Pact op Zuid, heeft deze brainstormsessie georganiseerd. Daarvoor waren representanten vanuit onderwijs, bedrijfsleven, brancheorganisaties en intermediaire organisaties uitgenodigd. Onder leiding van Ton Legerstee, JOS, werd naar mogelijkheden gezocht om “kiezen voor techniek en technische opleidingen” voor de jeugd weer aantrekkelijk te maken.
Aan de brainstorm deden ruim 40 deskundigen op het gebied van aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt mee. De nadruk lag vooral op de mogelijkheden om de voortdurend dalende belangstelling bij de jeugd voor opleidingen in de sector techniek en technische beroepen te keren. Juist omdat in de techniek door vergrijzing en nieuwe marktkansen er veel baanopeningen ontstaan op alle niveaus. Vacatures die niet met het eigen arbeidspotentieel ingevuld kunnen worden, omdat hun studies niet aansluiten bij wat deze markt aan kwaliteiten en competenties vraagt.

De brainstorm sluit goed aan bij het Manifest VMBO-T waarin het bedrijfsleven oproept tot een bundeling van het technisch onderwijs. Eén krachtige opleiding aan de noordkant en één aan de zuidzijde van Rotterdam. Ook sluit het aan op de bijeenkomst die het college van B&W de week ervoor rond dit thema heeft georganiseerd.
In deze sessie stonden de kansen in de sector techniek centraal. Voor de zorg wordt een afzonderlijk traject gestart.

Doelen Pact op Zuid

Pact op Zuid wil samen met partners uit o.a. het onderwijs en het bedrijfsleven vooral de goede arbeidsmarktkansen aanreiken aan de jeugdige populatie van Zuid. Hoe? Door hen en hun ouders zo vroeg mogelijk te laten zien hoe aantrekkelijk een studiekeuze voor techniek en zorg kan zijn. Dat geven we als volgt vorm:
- beroepsoriëntatieprogramma’s voor de sectoren techniek en zorg; - doorlopende leerlijnen voor techniek en zorg;
- additioneel bestek bij aanbestedingen, waarin extra kansen gecreëerd worden voor scholing en werk voor jongeren (o.a. verbreden en verdiepen van de 5%-regeling ofwel eigen verklaringen voor invulling sociaal programma);
- integrale business cases die IkZitopZuid (het verenigd bedrijfsleven van Zuid) samen met Pact op Zuid vormgeeft met het doel de ruimtelijke economische structuur van Zuid en regio te versterken en daarin kansen te scheppen voor het arbeidspotentieel van Zuid.

Tenslotte ging Ton Legerstee nog langs de conclusies en aanbevelingen die Noortje van de Burgt had gedaan naar aanleiding van haar afstudeeropdracht aan de EUR.
Daarin heeft ze gekeken naar de mogelijkheden op de arbeidsmarkt voor technische beroepen, in het bijzonder midtech, en de kansen voor de jeugd van Zuid om daarop aan te haken. Bij deze studie heeft zij intensief samengewerkt met IkZitopZuid, een vereniging van grote bedrijven van Zuid. Zij hebben zich als private partijen ten doel hebben gesteld om een kansrijk ruimtelijk economisch perspectief voor Rotterdam Zuid en regio aan te geven en het commitment daaraan ook te concretiseren door kansrijke business cases te ontwikkelen en daarin te participeren.


donderdag, maart 24, 2011

dinsdag, maart 22, 2011

VNO/NCW aanpak Hoger Onderwijs

Werkgevers willen HO fors aanpakken

18 maart 2011 - VNO-NCW wil geen vrijblijvendheid bij de doorvoering van ‘Veerman’. “Er komt op basis van vrijwillige afspraken geleidelijk aan wel landelijk overleg van de grond, maar het proces gaat langzaam en doordat er geen bestuurlijk en wettelijk kader is, kan met de uitkomsten naar believen worden omgegaan.” En het algemeen collegegeld kan omhoog om de bèta-masters te behoeden.

VNO-NCW reageert uitvoering op de visie van het kabinet en het rapport-Veerman. Men vindt van belang dat het hoger onderwijs kwalitatief hoogwaardig is door een goede basis en anderzijds extra accent legt op excellentie.
Daarbij is het zaak dat opleidingen zowel naar kwaliteit als kwantiteit worden aangeboden die aansluiten bij de behoefte van het bedrijfsleven. Dit moet met extra aandacht voor het verzekeren van opleidingen voor de economische topsectoren.

In een brief aan de Kamer schrijven Wientjes c.s. hierover:
“De commissie Veerman brengt een aantal belangrijke constateringen in kaart: de studieuitval is te hoog, talent krijgt te weinig uitdaging, er is te weinig differentiatie voor de gevarieerde vraag van studenten en arbeidsmarkt en het onderwijsaanbod is versnipperd met relatief veel kleine opleidingen en sterke inzet op opleidingen voor de grote massa. Kortom, het huidige stelsel is niet toekomstbestendig.
Onze analyse is dat dit komt doordat niet wordt afgerekend op prestaties en kwaliteit, maar doordat bekostiging plaatsvindt op studentenaantallen. Verder menen wij dat het bedrijfsleven, de grootste afnemer van het hoger onderwijs, een te beperkte positie heeft in het onderwijssysteem. Het hoger onderwijs staat dan ook op een keerpunt. We moeten wat ons betreft het hoger onderwijs fors aan pakken en zien een aantal uitdagingen:
“We moeten wat ons betreft het hoger onderwijs fors aan pakken”

1.  Meer excellentie, focus en massa en topkwaliteit:

Het belang van het bedrijfsleven moet in belangrijke mate een motor en richtingwijzer zijn voor de profilering van instellingen op basis van thema’s en zwaartepunten. De aanbeveling om te komen tot profilering van instellingen mag er immers niet toe leiden dat de optelsom van de keuzes van individuele instellingen niet het landelijk gewenste landschap oplevert. Dit vraagt in de eerste plaats wat van het bedrijfsleven zelf. Zij kunnen een belangrijke rol spelen bij het aangeven van trends, kansen en behoeften op het gebied van onderzoek en onderwijs.
De link met het topsectorenbeleid die in de kabinetsreactie Veerman expliciet wordt gelegd juichen we toe.  Dat is in het bijzonder het geval wanneer het gaat om onderzoek. We vinden het dan ook positief dat in het bedrijfslevenbeleid van dit Kabinet een koppeling wordt gelegd tussen de topsectoren en de onderzoeksfinanciering via NWO en de financiering van TNO.
Om tot meer focus te komen moet in onze visie het hoger onderwijs toe naar een model van brede (bachelor) opleidingen, zoals ook door Veerman bepleit met specialisatie later in het traject. Verder is het zaak dat de wildgroei aan opleidingen (35% van de opleidingen kent 30 of mindere studenten, jaarlijks worden 70 opleidingen geïntroduceerd) wordt aangepakt.
Bovendien moet aan de voorkant beter gekeken worden naar nut - en noodzaak van een nieuwe opleiding, zodat niet voor iedere ontwikkeling of nieuwe trend een nieuwe opleiding moet worden gestart maar dit op andere manieren geaccommodeerd moet worden (bv via een module of een minor). Het arbeidsmarktperspectief en de betrokkenheid van het werkveld moeten daarom een sterkere rol spelen bij de accreditatie van opleidingen en bij de macrodoelmatigheid.

2.  Basiskwaliteit omhoog en het invoeren van prestatiefinanciering:

Een goede basiskwaliteit vraagt om een duidelijke centrale normstelling wat betreft het (eind)niveau per onderwijssector en (in beroepsonderwijs en hoger onderwijs) per opleiding. In het hoger onderwijs is een kwaliteitsstelsel van accreditatie (onafhankelijk toezicht op de kwaliteit van opleidingen), maar er is geen wettelijk basis voor betrokkenheid van het werkveld bij het bepalen van de eindnormen per opleiding.
Er komt op basis van vrijwillige afspraken geleidelijk aan wel landelijk overleg van de grond, maar het proces gaat langzaam en doordat er geen bestuurlijk en wettelijk kader is, kan met de uitkomsten van landelijk overleg naar believen worden omgegaan. In het hoger (beroeps)onderwijs moet het bedrijfsleven waar relevant een grotere rol krijgen bij het opstellen van de eindnormen, zodat er betere aansluiting is op de behoeften van de markt.
De examinering moet niet alleen onderdeel zijn van de accreditatie, maar ook tussentijds moet de inspectie op basis van klachten onderzoek kunnen doen en zonodig ingrijpen. Dat dit nodig is, bewijzen de recente problemen rond de bijzondere diplomatrajecten in het hoger onderwijs.
De aanbeveling van Veerman om te komen tot missiebekostiging op basis van het profiel van de instelling biedt perspectief om de huidige primaire focus op studentenaantallen terug te brengen. Dat kan door de missiebekostiging te koppelen aan prestatieafspraken die passen bij het gekozen profiel en gebaseerd op kwaliteitseisen. Ook pleiten we ervoor de instelling af te rekenen op de arbeidsmarktrelevantie van de opleidingen, bijvoorbeeld door te kijken naar de mate waarin alumni van een opleiding succesvol zijn op de arbeidsmarkt (vlot aan de slag komen, voldoen aan kwalificatiebehoeften, op het niveau van hun studie werk vinden).
Ook is er een link met profilering, hiervoor zou in de bekostiging een incentive kunnen worden gegeven, bijvoorbeeld in de vorm van een missiebudget of steun aan een Centre of Excellence op een bepaald terrein, waarbij voorwaarde zou kunnen zijn dat het bedrijfsleven betrokken is bij niet alleen het proces van profilering. Ook op het terrein van onderzoek kunnen dit soort publiek-private onderzoeksinitiatieven (zoals de TTI’s) een rol spelen om te komen tot scherpere focus.

3.  Selectie

Bij selectie moet centraal staan dat de student op de juiste plaats terecht komt. Zo kan talent optimaal worden benut. Dat kan door het voor instellingen mogelijk te maken om specifieke eisen te stellen aan de student (vakken, of bij opleidingen met een numerus fixus cijfers) of door selectie mogelijk te maken voor kleinschalige, intensieve en residentiële programma’s voor topstudenten (zoals university colleges) en programma’s die de instroom reguleren om voldoende kwaliteit te kunnen bieden. Ook kan gekeken worden naar selectievere doorstroom (HO-WO) door het toelatingsrecht van studenten te veranderen in toelaatbaarheid.
Op macroniveau moet dit echter niet ten koste gaan van de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Een Havo of VWO diploma moet in principe toegang blijven geven tot het HO. Verder moet gekeken worden naar mogelijkheden van selectie na de poort bijvoorbeeld via een bindend advies tijdens de propedeuse en selectie voor zwaardere trajecten met bijzondere kenmerken (honours programmes; university colleges). Bij een dergelijke differentiatie past ook gedifferentieerd collegegeld.

4.  Invoering Ad binnen het hoger onderwijs

Met de Associate degree (tweejarige hbo-opleiding met eigen graad en studiefinanciering) is inmiddels op vele opleidingsgebieden gedurende vier jaarervaring opgedaan in het hbo. Uit de tussenevaluatie van twee jaar geleden en de zojuist verschenen eindevaluatie in opdracht van het Ministerie van OCW blijkt dat de realisatie en huidige invulling van de Ad grote tevredenheid oplevert bij studenten en werkgevers.
Randvoorwaarde bij een verdere uitrol van deze opleidingsvariant is dat er in het desbetreffende werkveld aantoonbaar behoefte moet zijn aan een Ad op dat vakgebied. Op dit criterium moet de NVAO, nog beter dan nu het geval is, toezien. Wij pleiten voor het handhaven van de Ad als onderdeel van de totale bachelor in die zin dat een student die de Ad heeft afgerond zonder studievertraging direct door moet kunnen stromen naar de bachelor. Dat is nu ook het geval en blijkt in de praktijk goed realiseerbaar.

5.  Het aantrekken van private financiering

In principe steunen wij het invoeren van een sociaal leenstelsel in de masterfase, zeker omdat de middelen terug in het systeem gaan voor een (broodnodige) kwaliteitsimpuls. Natuurlijk is het zaak dat bij invoering van dit soort maatregelen goed gekeken wordt naar de neveneffecten. Een van de aandachtspunten is het negatief effect op de aantrekkelijkheid van Beta-technische studies. Studenten doen hier immers een 2-jarige master, waar andere studenten er slechts 1 jaar over doen en dus slechts een jaar hoeven te lenen.
We pleiten er dan ook voor dat beta-techniek studenten nog een jaar studiefinanciering krijgen in de masterfase. Een dergelijke oplossing is fair omdat dan de ene student niet per se meer studieschuld opbouwt dan de andere. Volgens onze cijfers zijn er op dit moment 176 tweejarige masteropleidingen in het domein Natuur en Techniek en telde het collegejaar 2009-2010 15.370 studenten bij tweejarige bètatechniek masters. We schatten de kosten van deze maatregel op ongeveer € 16.5 miljoen per jaar.  Compensatie kan wat ons betreft bijvoorbeeld gevonden worden in het verhogen van het collegegeld voor alle studenten.
Ondernemend Nederland wil graag meedenken over de manier waarop scholarships (beurzen) aantrekkelijker kunnen worden gemaakt.  We willen er wel op wijzen dat er geen sprake kan zijn van een verplichte basis. Uiteindelijk is en blijft dit een zaak voor individuele bedrijven in relatie tot maatwerk voor de individuele student. Dat leent zich slecht voor landelijke afspraken/coördinatie. Natuurlijk levert het bedrijfsleven al wel een bijdrage aan het HO, denk aan stageplaatsen, gastdocenten, bijzondere hoogleraren etc.

6.  Handhaven onderscheid HbO-WO ook in titulatuur

Het pleidooi van Veerman dat het onderscheid tussen HBO en WO moet blijven gehandhaafd ondersteunen we van harte. We zijn het echter niet eens met zijn conclusie dat de titulatuur wel kan worden gelijk getrokken. Voor de herkenbaarheid voor zowel student als bedrijfsleven van het onderscheid is het juist van belang dat dit onderscheid ook gehandhaafd blijft.
Op dit punt is het rapport Veerman intern niet consistent. Wij pleiten er dan ook voor het doortrekken van de goede keus van het rapport Veerman, handhaving van het onderscheid tussen HBO en WO, naar behoud van onderscheid in de titulatuur.”

Trekkers van de 9 topsectoren

Zeer ervaren mensen gaan de topsegmenten trekken

ZZP info

ZZP info

ZZP info

ZZP info

This is the first day of the rest of your life