zaterdag, oktober 20, 2012

Harlem Children’s Zone

http://www.hcz.org/home

Rotterdam Children’s Zone

Doorgaande ontwikkellijn 0 tot 18 jaar

In de Rotterdam Children’s Zone krijgen kinderen een doorgaande ontwikkellijn van 0 tot 18 jaar. Daarbij leggen we de lat zeer hoog. We verbinden de leefwerelden thuis, school en wijk zodanig met elkaar dat de kinderen die er opgroeien gemiddeld minstens zo goed presteren als hun leeftijdsgenoten in de vier grote steden van Nederland. Dat bereiken we door een combinatie van excellente scholen, een doortastende gezinsondersteuning waar dat nodig is en een uitdagende leeromgeving buiten school.

Intensieve samenwerking
In de Rotterdam Children’s Zone werken scholen, overheid, consultatiebureaus, kinderopvang, woningcorporaties, bedrijven en andere partners zoals speeltuinverenigingen en sportverenigingen nauw samen. De school vormt de kern van de zone.

De school zorgt voor de beste docenten voor de klas en meest ondernemende directeuren aan het roer. De gemeente en het Rijk bieden kansen voor langere leertijden. De gemeente zorgt samen met bestaande
zorginstellingen voor een integraal wijkteam die leerlingen en hun gezinnen ondersteunt. Woningcorporaties en gemeente pakken zaken aan als illegale huur en zorgen voor goede buitenruimten.
Kortom: de Rotterdam Children’s Zone is een ‘square mile’ ontwikkeling waarin een kind van alle kanten wordt geholpen om optimaal op te groeien.

Het doel van de Rotterdam Children’s Zone is dat in 2020 de leerlingen in de zeven wijken in Rotterdam-Zuid minstens zo goed presteren als in de rest van de stad. In 2030 doen zij het net zo goed als leerlingen in de vier grote steden van Nederland. Dat geldt voor zowel hun leerprestaties als hun sociaal-emotionele ontwikkeling. We kijken dan ondermeer naar hun gezondheid, sociale vaardigheden, keuze van vervolgopleidingen en kansen op de arbeidsmarkt.

De doelen concreet

-Leerlingen komen goed voorbereid van de basisschool. De ongewogen Cito-score stijgt van 527,8 (2010) naar 533 (2020) en 535,4 (schatting voor 2030).

-Meer leerlingen halen een diploma op hoger niveau. Het percentage leerlingen dat een diploma Havo/VWO haalt stijgt van 29% (2010) naar 31% (2014) en 39% (2020)

-Meer leerlingen worden trots vakman of vakvrouw, vooral in zorg en techniek. Het percentage leerlingen in het MBO dat afstudeert in techniek of zorg stijgt van 23,7% (2010) naar 34% (2014) en 40% (2020).

Rotterdam Children’s Zone

Zes leidende principes

De Rotterdam Children’s Zone is geen blauwdruk. Een succesvolle zone kan alleen worden vormgegeven door de professionals die er werken. ‘Het best draaiende wiel is het wiel dat zelf is uitgevonden’. In 2011 heeft een Rotterdams expertteam de hoofdlijnen van de Rotterdam Children’s Zone uitgewerkt in zes leidende principes. Deze zijn:

Het kind en zijn prestaties staan centraal.

We volgen de logica van het kind en het gezin en niet die van de instellingen. Dit zal consequenties hebben voor alle betrokken organisaties en de rollen die zij vervullen. Ook consequenties die we nu misschien nog niet voorzien. Het oprichten van een integraal wijkteam rondom de scholen dat snel en effectief kinderen of gezinnen kan bijstaan, is een eerste stap. Zo’n team krijgt samen met de school zicht op wat er in de verschillende leefwerelden van het kind afspeelt.

Hoge professionaliteit.

De beste docent voor de klas, de beste professionals in zorg en welzijn. Dat betekent ook de beste directeur op school en de beste ambtenaren die het onderwijs ondersteunen. Partijen die meedoen in de Rotterdam Children’s Zone committeren zich aan het verder professionaliseren van hun personeel.

Hoge, gefundeerde en realiseerbare verwachtingen.

Zowel van de kinderen, als de ouders en de professionals. De lat ligt zó hoog dat iedereen wordt uitgedaagd steeds weer een stap verder te zetten. We gaan meten in hoeverre we erin slagen om deze verwachtingen waar te maken en onderzoeken welke maatregelen daartoe het meest bijdragen.

Ouders als partners
Veruit de meeste ouders willen dat hun kind het hoogst mogelijke bereikt. In de Rotterdam Children’s Zone wonen veel mensen die het beste voor hun kinderen willen, maar niet precies weten hoe zij hun kind het beste hierbij kunnen helpen. School en wijkteam stellen zich op als partners van ouders bij de ontwikkeling van het kind.

Inspirerend leiderschap
Het belang ervan blijkt uit alle onderzoeken, maar het vraagt bij vele van onze organisaties een andere bedrijfscultuur om er écht werk van te maken. Dit geldt zowel voor mensen in een lei-dinggevende positie als voor andere professionals. Het gaat om het hebben en vasthouden van een duidelijke visie en de kunst om anderen daaraan te verbinden.

Ruimte voor innovatie en maatwerk
De Rotterdam Children’s Zone is een uitnodiging aan teams en individuen om vernieuwingen door te voeren om dichter bij het doel te komen. We zoeken de randen op van het beleid, verbinden wat nog niet verbonden is, stellen problemen aan de kaak en vormen vernieuwende coalities.

Rotterdam Children’s Zone

Wijkteams: extra zorg naast school

Bij veel kinderen wordt de prestatie op school negatief beïnvloed door omstandigheden thuis. Bijvoorbeeld omdat ouders niet over hun stress heenkomen wegens schulden of omdat een moeder niet weet hoe zij haar zoon moet opvoeden. Het kan ook zijn dat het kind niet aan het leren toekomt omdat zij voor haar opa en twee zusjes moet zorgen. Of dat niemand thuis enige belangstelling heeft voor wat hij of zij op school leert. Iedere wijk in de Rotterdam Children’s Zone krijgt een wijkteam dat vooral op verzoek van de school in alle leefwerelden van het kind gaat kijken wat er aan de hand is. Soms gaat het om multiprobleemgezinnen. Vaak gaat het
om gezinnen die al geholpen zijn met een relatief eenvoudig advies bij de opvoeding. Het wijkteam komt bij gezinnen thuis. Het verwijst door naar gespecialiseerde hulp als dat nodig is. De wijkteams starten in de wijken rondom de basisscholen. Daarna wordt ook effectieve hulp georganiseerd rondom scholen voor voortgezet onderwijs.

De wijkteams vragen een grote investering. We zullen meer gezinnen zien met een hulpvraag dan er nu bij de instanties bekend zijn. Ook zal een brede benadering van gezinnen meer werk opleveren. Die investering is
het waard, aangezien we verwachten dat vroege en laagdrempelige hulp ervoor zorgt dat problemen in een gezin zich niet verder opstapelen. Daarvoor wordt later minder een beroep gedaan op dure gespecialiseerde hulp.

Rotterdam Children’s Zone

Zes leidende principes praktisch vertaald

De leidende principes worden ondermeer als volgt praktisch vertaald. Deze praktische vertaling is niet limitatief, want in de zone is ruimte voor meer innovaties.

Doorgaande leerlijn.

Dat vraagt een intensieve samenwerking tussen scholen, waarbij een kind goed wordt begeleid langs de breuken in ons schoolsysteem. Een mogelijke vernieuwing is het vormen van één school of een netwerk van scholen voor leerlingen van 2 tot 18 jaar, waarbij de overgangen meer geleidelijk en verschillend per leerling worden georganiseerd. Dit is maatwerk. De ene leerling gedijt het beste door al in groep 7 vakken te volgen op de middelbare school. De andere leerling groeit het beste door langer in een beschermde omgeving te blijven. De doorgaande leerlijnen worden ook gemaakt tussen het voortgezet onderwijs en het vervolgonderwijs, zoals de vakscholen.

Langere leerweken.

Kinderen die weinig meekrijgen van thuis hebben langer nodig om hun kennis op school bij te spijkeren. Scholen werken aan een effectievere indeling van de leertijd. Je kunt meer halen uit de beschikbare tijd. Daarbovenop hebben leerlingen in zowel het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs in de Rotterdam Children’s Zone meer leertijd dan elders. Scholen met een Children’s Zone programmering breiden hun leertijd uit naar 36 uur per week. Dat is voor ondermeer taal, rekenen en persoonlijke ontwikkeling. Dit vullen scholen met verschillende onderwijsvormen in, zoals klassikale lessen, huiswerkklassen, loopbaanoriëntatie, vakantie- of weekendscholen en buitenschools leren.

Al vroeg naar school.

Hoewel de leerplicht in Nederland vanaf 5 jaar geldt, zitten kinderen in de Rotterdam Children’s Zone al vanaf hun tweede ‘op school’. Met nulgroepen wordt de voor- en vroeg-schoolse educatie (vve) volledig geïntegreerd in de basisschool.

Alle professionals in de Rotterdam Children’s Zone voldoen aan een hoge norm van vakbekwaamheid.

In de zone beschikt de professional over een aantal speciale kwaliteiten en is bereid een extra stap te zetten. Docenten hebben niet alleen goede didactische kwaliteiten, maar zij zijn ook sociaal-pedagogisch sterk. Schoolbesturen zetten zich stevig in om dit te realiseren.

Iedere wijk heeft een integraal wijkteam dat hecht is verbonden aan de scholen.

De overheid en zorg-instellingen zetten hun beste mensen in deze teams. Zij helpen de leefomstandigheden thuis of op straat van leerlingen te verbeteren met als doel om de leerprestaties te verhogen. De teams ontzorgen de scholen die zich daarmee meer kunnen richten op hun primaire taak: het lesgeven.

Scholen werken in wijkverband nauw met elkaar samen om hun leerlingen te bieden wat ze ieder voor zich moeilijk kunnen.

Denk aan een extra programma voor slimme leerlingen, voor leerlingen met creatieve gaven of voor het vergroten van belangstelling voor vakmanschap. Per wijk komt een buitenschools programma dat vanuit een sterke wijkvisie bijdraagt aan de leerdoelen die de scholen stellen.

Vakmanschap staat voor beroepen met trots.

In de zone bieden we een doorgaande leerlijn in vakken zoals techniek en zorg, zowel op als buiten de school. Leerlingen in de zone maken al vroeg kennis met een breed scala aan beroepen en opleidingen. Ouders worden nauw betrokken bij het kiezen van een opleiding en beroep omdat zij die keuze sterk beïnvloeden.

Bedrijfsleven moet meer investeren in eigen IT-ers

Bedrijfsleven moet meer investeren in eigen IT-ers

Het Nederlandse bedrijfsleven investeert te weinig in de ontwikkeling van ondersteunend personeel. Huidige traineeships zijn alleen ingericht op het werven van medewerkers voor het primaire proces. Bedrijven missen hierdoor de kans om bijvoorbeeld de beste IT’ers in huis te halen en zijn genoodzaakt om dure externe krachten in te huren.

Nederlandse organisaties investeren te weinig in de ontwikkeling van ondersteunend personeel. Hierdoor komt de kwaliteit van het primaire procesonder druk te staan.

Dat vinden Erik van der Meulen, partner bij Kirkman Company en Pieter Schoehuijs, CIO bij AkzoNobel die een appel doen om meer te investeren in de ontwikkeling van medewerkers van ondersteunende diensten. “Organisaties krijgen hierdoor niet de juiste mensen voor de ondersteunende diensten en zijn genoodzaakt om meer personeel in te huren”, aldus Van der Meulen. “Externen zijn kostbaar en minder betrokken bij de organisatie, waardoor de kwaliteit van het werk te wensen overlaat.” Volgens Van der Meulen kunnen bedrijven hier alleen een verbeterslag maken als zij investeren in de ontwikkeling van ondersteunend personeel, zoals IT-ers.

Maar dat is niet het enige. Starters op de arbeidsmarkt zijn het beste af met zogenaamde intercompany traineeships vindt Van der Meulen. “Bedrijven moeten intercompany traineeships aanbieden voor ondersteunende diensten, zoals IT, HR en juridische zaken”, stelt hij. “Afgestudeerden moeten de mogelijkheid krijgen om in een periode van twee jaar in verschillende organisaties te kijken. Op deze manier worden de juiste en goede mensen voor ondersteunende diensten aangetrokken, die een link kunnen maken tussen techniek en de processen van de organisatie en dat raakt de directe business.”

Goede begeleiding
Pieter Schoehuijs van Akzo Nobel vindt dat deze traineeships serieus aangepakt moeten worden om ook aan de hoge verwachtingen van starters te kunnen voldoen. “Bedrijven moeten trainees goed begeleiden”, aldus Schoehuijs. “Dat betekent een uitdagende hoofdopdracht formuleren, waar zowel de trainee als de organisatie baat bij heeft. En organisaties moeten een à twee ad hoc opdrachten beleggen bij de trainee. Op deze manier ontstaat een win-win situatie, waarbij aan de ene kant de trainee ervaring kan opdoen en aan de andere kant de trainee dynamiek in een organisatie brengt, waar de hele afdeling van opleeft.” Willen organisaties aantrekkelijk zijn voor toekomstige managers met kennis van IT, dan moeten zij bijvoorbeeld met behulp van deze intercompany traineeships goed aansluiten bij de behoefte van pas afgestudeerden.

Fout aanbod IT-ers leidt tot offshoring

Studenten informatica krijgen in Nederland niet de juiste kennis en vaardigheden aangeleerd.
De mismatch op de IT-arbeidsmarkt die dat tot gevolg heeft, leidt er toe dat multinationals als Stork en AkzoNobel hun IT-activiteiten zullen offshoren naar India.

Dit betoogden Peter Schoehuijs CIO van AkzoNobel en zijn collega André Haket van Stork deze week in het Algemeen Dagblad.

Volgens Schoehuijs ontbreekt het in Nederland vooral aan goede informatiemanagers die met een goede taalvaardigheid een brug kunnen slaan tussen IT en de verkoop, personeelszaken en onderzoek en ontwikkeling. Op de universiteiten en HBO’s krijgen studenten vooral programmeer vaardigheden aangeleerd. Doordat informatiemanagers nauwelijks te vinden zijn op de arbeidsmarkt worden mogelijk duizenden vacatures in Nederland niet ingevuld.

Met name HBO en universiteiten zouden flink wat steken laten vallen bij het opleiden van IT-managers, stelt Pieter Schoehuijs, cio van AkzoNobel.

André Haket, cio van Stork, deelt deze zorgen. Stork en AkzoNobel proberen het tij te keren door samen met De Nederlandsche Bank volgende maand een opleiding IT-management te starten die wel tot afstudeerders leidt met de juiste vaardigheden. Tegen het AD zegt CIO André Haket van Stork: “Wij steken onze nek uit. We rekenen erop dat meer concerns snel zullen aansluiten.”

In september deed Schoehuijs al op IT Executive.nl een oproep dat Nederlandse bedrijven meer moeten investeren in de ontwikkeling van goed ondersteunend personeel. Huidige traineeships zijn voornamelijk ingericht op het werven van medewerkers voor het primaire proces. Hierdoor komt de kwaliteit van het primaire procesonder druk te staan. Bedrijven missen hierdoor de kans om bijvoorbeeld de beste IT’ers in huis te halen en zijn genoodzaakt om dure externe krachten in te huren.

Rotterdam Science Tower geopend

Start krachtig cluster medische innovaties en bedrijvigheid

Leverende organisatie | Aangeleverd op 12-10-2012

Kennis en medische bedrijvigheid onder één dak.

In die combinatie ligt de kracht van de Rotterdam Science Tower.
Tijdens de opening op 4 oktober hebben dertien partijen een convenant getekend, waarmee zij zich blijven inzetten om het medisch cluster verder te versterken. Voorafgaand aan de opening organiseerde de Erasmus Universiteit het debat ‘Weg uit de crisis: innovatie en modern vakmanschap’. De ruim 200 aanwezigen konden tussen het debat en de opening deelnemen aan rondleidingen langs Viroclinics Biosciences, Zadkine en Erasmus MC Incubator.

Het prestigieuze innovatiecentrum is dé locatie voor hoogwaardige biomedische bedrijven, medische innovaties en startende bedrijven van het Erasmus MC en de Erasmus Universiteit Rotterdam.

De Rotterdam Science Tower is een duurzaam hoogstandje in Merwe-Vierhavens in het Stadshavensgebied van Rotterdam.
In de toren is 15.000 m2 unieke kantoor- en laboratoriumruimte beschikbaar.

Snelgroeiende bedrijven en belangrijke werkgevers als Viroclinics Biosciences, uitgegroeid van 8 naar 150 medewerkers, zijn er al gevestigd. Evenals Erasmus MC Incubator, kloppend hart voor startende bedrijven die drijven op de kennis van het Erasmus MC.

Binnenkort huist hier de Startup Campus van Erasmus Universiteit Rotterdam.

Innovatie en Modern vakmanschap
Voorafgaand aan de opening van Rotterdam Science Tower werd er een U-meet van de EUR, rond het thema ‘Weg uit de crisis: innovatie en modern vakmanschap’ gehouden. Het was een geslaagde en drukbezochte bijeenkomst, met zo’n 150 mensen in de zaal, waaronder veel (beginnende) ondernemers.

Hoogleraar Justin Jansen (RSM) ging op het belang van innovatie – niet alleen van producten, maar vooral ook van het businessmodel. Samenwerken is volgens hem essentieel om innovatie te bereiken.

Hoogleraar Willem Verbeke (ESE) hield daarna een hartstochtelijk pleidooi voor modern vakmanschap en de terugkeer van maakindustrie in Nederland. Volgens hem moet Nederland een voorbeeld nemen in dat opzicht aan Duitsland.

Twee ondernemers, serial entrepreneur Marcel Broersma (onder andere elektrisch rijden) en Eric Claassen van ViroClinics, lieten vervolgens zien wat zij doen om de crisis te doorstaan.
Impuls voor zorginnovatie

De opening van de Rotterdam Science Tower is de eerste stap naar een krachtig cluster voor Rotterdamse innovatieve medische bedrijvigheid. Hiervoor slaan Erasmus MC, Erasmus Universiteit Rotterdam, ondernemers en de gemeente de handen ineen. Met het bundelen van deze topinstellingen geeft Rotterdam zorginnovatie een flinke impuls. Zo wordt het medisch cluster vanaf 2014 versterkt met de Science Boulevard Coolhaven.

Hergebruik kantoorgebouwen
De vestiging van de Rotterdam Science Tower in de ‘Europoint IV’ toren in de Marconistraat in het Stadshavensgebied is een goed voorbeeld van hergebruik van leegstaande kantoorgebouwen.
In de toren is 15.000 m2 kantoorruimte omgebouwd naar geconditioneerde bedrijfs- en laboratoriumruimte. Het sluit aan bij de Rotterdamse aanpak van kantorenleegstand, die samen met vastgoedpartijen is ontwikkeld. Sinds 2011 is ruim 70.000 m2 verouderde kantoorruimte getransformeerd.

Oprichting kennisplatform
Alle initiatieven komen in samenwerkingsverbanden tot stand. De volgende partijen zetten zich in om het Rotterdamse ondernemersklimaat, de vestigingsvoorwaarden en de infrastructuur te verbeteren: BIRD Recruitment, Erasmus MC, Erasmus Universiteit Rotterdam, Fortress, gemeente Rotterdam, Hogeschool Rotterdam, JOIN ontwikkeling, Laurens, Medical Delta Multiplier, ROC Zadkine, Stadshavens Rotterdam, Viroclinics Biosciences en het Valorisatieprogramma Rotterdam.
Tijdens de opening van Rotterdam Science Tower hebben zij een convenant getekend voor een kennisplatform om het Rotterdams medisch cluster verder te ontwikkelen.

zondag, oktober 14, 2012

Troonrede techniek KIVI NIRIA 2012

Techniek Troonrede 2012

Dames en heren,

De relatie tussen mens en techniek is een bijzondere. Als geen ander heeft Harry Mulisch dat onder woorden gebracht: de band tussen de mens en zijn apparaten is als die tussen een hert en zijn gewei. Apparaten zijn inderdaad verlengstukken van ons hoofd. En ze zitten goed vast, zodra ze er eenmaal uit zijn ontstaan. Neem de mobiele telefoon. We hebben als mensheid een paar miljoen jaar zonder gekund, maar sinds het ding er eenmaal is kunnen we geen uur zonder. Soms denk ik wel eens dat de telefoon zoals een gewei op sommige hoofden vast zit. Ik wed dat sommigen van u ook nu met uw telefoon bezig zijn; hetzij om te twitteren, hetzij om uw e-mail te checken.

Er is nog een reden waarom de uitspraak van Mulisch, die als weinig Nederlandse schrijvers heeft nagedacht over het belang van wetenschap en techniek, zo intrigerend is. Hij vergelijkt de mens als Homo technicus met een dier.

Welnu, er is geen enkel dier dat zo’n verhouding met techniek heeft als wij. Onze neefjes en nichtjes, de mensapen, kunnen stokjes gebruiken om termieten uit een nest te halen. Ze kunnen na jarenlang oefenen met behulp van twee stenen –een hamer en ee n aambeeld –noten kraken. En ook s er een Calidonische kraaiensoort die instrumenten maakt om aan voedsel te komen. Maar dan houdt het zo ongeveer op. Tenzij de mens de dieren natuurlijk van apparaten voorziet zoals bij apen die via een iPad kunnen communiceren.

Je hoort wel eens de uitspraak dat techniek ontmenselijkend zou werken, maar het tegendeel is waar. Als er een karaktertrek is die ons als mens definieert, dan is het onze verhouding tot techniek.
Een baviaan ontwerpt geen elektrische auto, een vis heeft geen idee waartoe een fiets dient, een konijn kan niet sms’en.
Met andere woorden, wij moeten als mensheid trots zijn op onze apparaten, op de mensen die hen hebben uitgevonden en op de mensen die hen kunnen bedienen.
Techniek is de basis voor welvaart en macht. Altijd en overal. Technische vaardigheid en uitvindingen stuwen al duizenden jaren de mensheid en sturen de onderlinge verhoudingen tussen volkeren –k hoef slechts het vuur en het wiel te noemen, en ze doen dat nog steeds. Waarom verloor Napoleon? Omdat de anderen snelvuurgeschut hadden en hij niet. Zo simpel is het soms.
Een land dat technisch voorop loopt, wordt rijk. Nederland zou dat als weinig andere landen moeten weten. Het was immers niet toevallig dat de Lage Landen tijdens de Gouden Eeuw zo machtig waren. Weet u nog dat premier Balkenende de term VOC-mentaliteit introduceerde?

Laten we eens inzoomen op de Nederlandse successen in de Gouden Eeuw. Waar kwam dat door? Welnu, er zijn verschillende visies daarop maar ik wil u die schrijver R.F. Marx niet onthouden. Hij meent dat de Nederlandse Gouden Eeuw op uitmuntende techniek stoelde.

Een citaat: “Niet alleen door hun superieure aantal schepen konden de Hollanders een einde maken aan de Portugese maritieme overheersing van Oost-Indië, maar ook vanwege het feit dat zij betere schepen, geschut en bemanningen hadden.” In technisch opzicht waren de Lage Landen hoog boven concurrerende naties verheven. We hadden kanonnen die verder schoten dan de Spaanse. We konden beter met buskruit omgaan omdat we een chemische oplossing hadden bedacht voor de ontmenging van kruit, een van de grote technische problemen van die tijd.
En misschien wel het allerbelangrijkst was de fluit, een vaartuig dat rond 1590 in Nederland werd ontwikkeld. Het was een rank en snel schip dat maar tien koppen vergde tegen dertig op elk vergelijkbaar schip.
Net zoals de haringbuis ons een voorsprong had gegeven in de haringvisserij, verschafte het fluitschip Nederland een superieure positie in de internationale koopvaardij. De fraaie grachtenpanden in Amsterdam, Zierikzee, Gouda, enzovoorts getuigen niet alleen van visie en leiderschap in de top van de VOC, van een handelsgeest die in de hele bevolking aanwezig was, maar minstens even zeer van het feit dat er een periode is geweest dat Nederland technisch domineerde.

Ik hecht er aan om dit te benadrukken omdat je nogal eens hoort verkondigen dat wij nu eenmaal een handelsland zouden zijn en geen industriële of technische traditie zouden hebben. Dit is baarlijke nonsens. U weet allemaal dat Nederland is gevormd door de strijd tegen het water. Dat ging met technische doorbraken gepaard: met polders, dijken, boezems, sluizen, stuwen, weteringen, enzovoorts.

Weet u nog, januari 2012? Het water in het IJsselmeer stond erg hoog en de stad Kampen werd bedreigd. Maar geen probleem, de balgstuw bij Ramspol werd opgeblazen. Voor veel mensen was het de eerste keer dat ze het woord hoorden. Een woord dat associaties oproept met Tolkien’s meesterwerk The Lord of the Rings –een huiveringwekkend gevecht tussen Frodo de hobbit en de perfide balgstuw –maar het bleek een van de vele waterbouwkundige contrapties uit Nederland te zijn: een soort opblaasbare keersluis. En jawel, we bleken ook nog eens de grootste ter wereld te hebben.
Maar niet alleen wanneer de waterwolf gromde, waren onze voorouders innovatief. Ik geef u een opsomming: de compact disk, de duikboot, de microscoop, de zaagmolen, de telescoop, het slingeruurwerk, de condensator, het cardiogram, de boekdrukkunst, de fasecontrastmicroscoop, de kunstnier, de flitspaal, de hartlongmachine, de wielklem, het draagbaar navigatiesysteem, enzovoorts, enzovoorts. Weet u in welk land deze uitvindingen zijn gedaan?

Jazeker, over de oorsprong van de uitvinding van de boekdrukkunst valt te twisten, maar het valt te verdedigen dat deze hele lijst uit Nederland komt of door Nederlanders is bedacht.
Met andere woorden, dit land heeft een wonderschone technische traditie.

Het is soms zelfs zo dat Nederlandse uitvindingen de welvaart van andere landen schraagden. Zo raakte Nederland zijn dominante positie uit de VOC-tijd kwijt aan Engeland. Ook dát had met techniek te maken. Hier werd een methode ontwikkeld om schepen met koperen platen te beslaan. Anti-fouling zouden we nu zeggen, een wapening tegen de aangroei van algen. Een schip met baard onder water gaat langzamer.
Het was een opzienbarende innovatie maar ze werd niet in Nederland toegepast. Het hoefde niet meer, we waren al rijk. De techniek werd wel in Engeland toegepast, dat mede dankzij die Hollandse vondst een maritieme grootmacht en concurrent werd.

De huidige positie van Nederland op technisch-wetenschappelijk gebied is helaas in tegenstelling tot vroeger niet bijster goed. Uitgedrukt in percentages van het bruto binnenlands product geeft Nederland niet veel geld uit aan wetenschappelijk onderzoek en technische ontwikkeling en het wordt ook elk decennium minder. We bevinden ons al lang niet meer in de internationale kopgroep maar ergens halverwege het peloton en we hebben daar moeite om aan te klampen.

In de jaren zeventig had Nederland nog meer dan twee procent van het bruto binnenlands product over voor research & development en was daarmee een leidend land. Sindsdien is het voortdurend minder geworden.
Vooral omdat de industrie steeds minder in Nederlandse laboratoria investeert maar ook omdat achtereenvolgende kabinetten, van welke politieke signatuur ook, terwijl ze met de mond het Lissabon-ideaal beleden dat ieder land naar drie procent zou moeten, in de praktijk ofwel bezuinigden dan wel pas op de plaats maakten met investeringen in wetenschap en techniek.
Dat staat in schril contrast met sommige landen waarmee wij concurreren. Terwijl Nederland voortdurend zakt, stijgt Zuid-Korea gestaag: het land gaf in 1981 maar iets meer dan een half procent uit aan onderzoek en ontwikkeling maar zit inmiddels boven de twee procent.

Daarnaast hebben wij veel minder slimmeriken dan Azië en Amerika. Japan en China hebben zo’n vijf ingenieurs en wetenschappers per duizend inwoners, Israël is opvallend tweede met 4,4, de Verenigde Staten heeft er 3,8 en ver daarna pas komt de Europese Unie met 1,9. De zes rijkste Aziatische landen spuwen jaarlijks meer dan een half miljoen afgestudeerde natuurwetenschappers en ingenieurs uit. Dat is meer dan heel Europa en Noord-Amerika gezamenlijk!

En waar we vroeger nog konden zeggen dat onze wetenschapsmensen en ingenieurs weliswaar duur waren maar wel heel innovatief en creatief, hebben ze nu in Azië ook heel innovatieve en creatieve geesten. Steeds meer multinationals verplaatsen hun ontwerpafdelingen naar Azië. Het ontwerp! Datgene waarvan wij altijd zeiden dat we er zo goed in waren.

Ook binnen Europa springt Nederland er niet bepaald positief uit. Bij ons kiezen studenten sterker dan in de meeste andere Europese landen voor ‘zachte’vakken als letteren en menswetenschappen die door veel middelbare scholieren als minder moeilijk worden ervaren dan natuurwetenschappen. Dat geldt niet alleen voor de universiteiten maar ook voor het hoger beroepsonderwijs.
Maar 1,6 op de 10 Nederlandse hbo-studenten kiest voor een technisch beroepsprofiel. Tellen we hbo en wetenschappelijk onderwijs bij elkaar op, dan komen we in Nederland op 29 procent studenten science en engineering, waar het gemiddelde in de Oeso, zeg maar de beschaafde wereld, op 34 procent ligt. Niet alleen landen als Frankrijk, Ierland en België overvleugelen ons maar ook Roemenië, Slowakije en Bulgarije. Dames en heren, dat is bedroevend slecht!

Er zullen de komende jaren dan ook ernstige tekorten aan technici, ingenieurs en natuurwetenschappers ontstaan. Temeer daar de komende jaren veel oudere bèta’s, ngenieurs en technici met pensioen zullen gaan. In het masterplan Bèta en Techniek s onlangs geschat dat dit n 2016 wel eens om een tekort van zo’n 200.000 mensen in de sectoren techniek, groene techniek, agro & food zou kunnen gaan. Gelukkig neemt sinds enkele jaren de toestroom in techniek en natuurwetenschap weer toe na vele jaren gedaald te zijn, maar de stijging blijft achter bij de algehele toename in het hoger en wetenschappelijk onderwijs.

En het werkt op andere vlakken door. Door de massale belangstelling voor letteren, mens- en maatschappijwetenschappen gaat er van het toch al relatief kleine research- en onderwijsbudget in dit land meer naar zachte vakken dan elders. Uit internationaal vergelijkende studies blijkt dat Nederland ver boven het gemiddelde zit bij uitgaven voor sociologie, economie, psychologie, kunst en literatuur en dat we ver onder het gemiddelde zitten bij technische wetenschappen, informatica en wiskunde. Juist wanneer het economisch slecht gaat, is het verstandig om te investeren in technisch vernuft.

De Oostenrijks-Amerikaanse econoom Joseph Schumpeter –de grote heoreticus van de nnovatie heeft dat in het verleden al eens benadrukt en president Obama heeft het onlangs weer herhaald. Toch is het geen logische reflex. Het zal niet voor niets zijn dat je juist dezer dagen veelvuldig het grapje hoort dat er drie manieren zijn om een bedrijf naar de bliksem te helpen: drank, vrouwen en research.
Dat is niet alleen een flauw maar ook een buitengewoon onverstandig grapje. Wetenschap en technologie maken bedrijven en landen slimmer. Vanzelfsprekend moeten bedrijven en overheden bezuinigen maar ze moeten de kip die de gouden eieren legt niet slachten. I
Juist bij tegenspoed is het prettig om een sterke technische basis te hebben. Dat toont Duitsland ons. Onze oosterbuur heeft wel een krachtige maakindustrie en komt dan ook veel makkelijker uit de crisis. De Duitse politiek komt wel krachtig op voor de belangen van de eigen industrie en ziet we l het belang in van het ontwikkelen van nieuwe producten en nieuwe kennis voor de toekomst van Duitsland. Duitse onderzoeksinstituten behoren we tot de beste en rijkste ter wereld en kunnen wel de concurrentie aan met Amerikaanse universiteiten als Stanford, Harvard en MIT. “Made in Germany” is het nationale parool geworden.
Ook wij moeten en kunnen trots zijn op onze maakindustrie. Neem de chemische industrie. Die komt –zie Moerdijk, zie Odfjell –regelmatig negatief in het nieuws maar er zou wat vaker benadrukt kunnen worden dat de Nederlandse chemische industrie tot de top in de wereld behoort.

Wat zeg ik, tot de top behoren?
Wanneer Europoort, Moerdijk en Terneuzen tot één re gio worden gerekend, en met die geringe onderlinge afstanden is dat niet vreemd, en we sjoemelen een heel klein beetje door ook Antwerpen mee te rekenen, dan hebben we het over het grootste chemische complex ter wereld, groter dan waar ook in China of het Midden-Oosten, zelfs groter dan wat de Verenigde Staten allemaal rond de baai van Mexico heeft. Hierin zijn we de absolute wereldkampioen en dat in een branche met veel toegevoegde waarde, een sector waar veel kennis en technologie in zit. Dat is dus iets om heel erg trots op te zijn in plaats van er op te mopperen!
Wat moet er nog meer gebeuren? We moeten proberen techniek en wetenschap aantrekkelijker te maken. Dat is niet nieuw natuurlijk. De overheid probeert dat al vele jaren met campagnes als ‘Kies exact’en ‘Focus op vakmanschap’. Dat is tot nu toe maar gedeeltelijk gelukt. En dus wordt het nu over een andere boeg gegooid. Zo was er voor de zomer een idee van de PvdA om het collegegeld voor techniekstudies te laten vervallen. Ook FME kwam met dit idee.
Hoe sympathiek dit ook was bedoeld, volgens mij is dit niet de juiste weg. Dan kiezen middelbare scholieren op basis van verkeerde motieven voor technische studies. Ze komen zichzelf keihard tegen in het eerste jaar en haken dan af.

Veel verstandiger is het om de bekostigingssystematiek voor de huidige opleidingen aan te passen. Deze zogeheten eerste geldstroom is gebaseerd op de hoeveelheid studenten. Aldus laten we de grillen van zeventien- en achttienjarigen het speerpuntenbeleid van een land bepalen. Dat is niet verstandig. Veel beter is het om studies te bekostigen op basis van het nationaal belang. Niet de scholier moet kiezen welke opleidingen geld krijgen, dan moet de Tweede Kamer doen!
Als wij met zijn allen van mening zijn dat watertechnologie of biotechnologie –vul n wat u belangrijk vindt - voor Nederland van groot belang is, dan moet er meer geld naar dergelijke studies en moeten we middelbare scholieren duidelijk maken dat ze door dergelijke studies te kiezen bij een prachtige Nederlandse traditie aansluiten en dat ze ook terechtkomen op goed geoutilleerde faculteiten waar ze met de rest van de wereld kunnen concurreren.
In het verlengde daarvan bevalt ook de redenering van staatssecretaris Halbe Zijlstra waarmee hij een langstudeerboete en het afschaffen van de studiebeurs in de masterfase heeft verdedigt, ons niet. Hij vindt dat studenten zelf meer moeten opdraaien voor de kosten van een studie. Dan zullen ze, zo denkt hij, eerder kiezen voor een studie waar de markt behoefte aan heeft. Dat klinkt logisch, maar het zal tot gevolg hebben dat studenten nog meer dan nu zullen opteren voor korte en relatief makkelijke studies.
Een overheid moet naar het nationaal belang kijken en beslissen aan welke opleidingen Nederland behoefte heeft. Als die overheid dan concludeert dat technische opleidingen van groot belang zijn, en die indruk wekken diverse regeringsnota’s en uitspraken van bewindslieden, dan moet de staatssecretaris er tenminste zorg voor dragen dat er geen extra financiële drempel is bij dergelijke studies, hoe zwaar ze ook zijn.
Techniekstudenten kunnen best een financieel steuntje in de rug gebruiken. Het is bijvoorbeeld denkbaar om de totale studiekosten los te koppelen van de studielast. Nu moeten studenten die een zwaardere studie volgen doorgaans meer aflossen dan studenten die een pretstudie volgen. Maar net iets meer dan de helft van het aantal bèta- en techniekstudenten studeert binnen vijf jaar af waar veel studenten die makkelijker studies volgen al na vier jaar klaar zijn. Het zou een mooi gebaar zijn om de studielasten voor bèta- en techniekstudenten, die niet langer over hun studie doen omdat ze feesten maar omdat die studies pittig zijn, op zijn minst omlaag te brengen tot de schulden die andere studenten hebben. Dus mocht het sociaal leenstelsel worden ingevoerd, dan moeten techniek studenten wel een jaar studiefinanciering voor hun masteropleiding krijgen, zodat ze evenveel moeten lenen als andere studenten en wat er ook met de langstudeerboete gaat gebeuren, zoals deze nu is worden techniek studenten zwaarder getroffen dan andere studenten. Gelukkig zie ik in bijna alle verkiezingsprogramma’s bijzondere aandacht voor techniek studies. Daarnaast moeten studenten worden uitgedaagd met de kwaliteit en de relevantie van studies. Ik denk aan campagnes in de trant van ‘Ben jij slim genoeg om science and engineering aan te kunnen?’Studenten die een technische studie volgen, moeten weer trots worden. In plaats dat andere studenten hen voor techneut uitmaken, moet achter hun rug worden gefluisterd: kijk eens, die daar volgt een van de zwaarste studies in Nederland! Wat dat betreft, is de tijd rijp. Het is niet voor niets dat er tegenwoordig tv-series zijn waar zogeheten nerds de hoofdrol spelen en waarin ze niet alleen onhandig zijn maar ook heel snugger –en er tussen wee haakjes met de mooiste vrouwen vandoor gaan. En tussen vier haakjes, die mooie vrouwen zijn dan eveneens nerds, alweer een winstpunt.

Er is nog een ander argument om natuurwetenschap en techniek te promoten, een argument dat de politici in Den Haag zal aanspreken. Diverse onderwijssociologen hebben er in het verleden al eens op gewezen dat bèta en techniek zeer geschikt zijn om klasse- en standsverschillen te overbruggen.
Waar het voor het volgen van een studie, rechten, geneeskunde of kunstgeschiedenis helpt wanneer je ouders je af en toe naar de opera meenemen en wanneer je zo her en der wat kruiwagens hebt, is het enige dat een student techniek of natuurwetenschap nodig heeft, een scherp verstand.
Willen we bijvoorbeeld de positie van niet-westerse allochtonen in Nederland verbeteren, dan moeten we hen stimuleren om voor techniek te kiezen.

Gelukkig gebeurt dat ook in toenemende mate. Het percentage allochtonen in de techniekstudies is de afgelopen tien jaar met 3,6 procent gestegen en de meerderheid van deze groep is niet-westers.
We moeten ook naar een mentaliteitsverandering. Af van het idee dat Nederland enkel een handelsland is. We hebben onze welvaart –nu zowel al s vroeger - niet alleen aan slim handelen te danken maar ook aan vernuftige ontwerpen. Dat was niet alleen zo in de Gouden Eeuw, dat is nu nog steeds zo. Als middelbare scholieren zouden zien wat er bijvoorbeeld op de Tweede Maasvlakte is gebeurd, dan kan het niet anders dan dat zij met een gevoel van trots worden vervuld en met het idee: goh, zou dat ook iets voor mij zijn?
Jawel, dat kunnen wij Nederlanders. Een stuk van de Noordzee met een diepte van twintig meter omzetten in duizend hectare nieuw land. Als geen ander kunnen Nederlanders baggeren en onze ingenieurs bouwen kademuren die een unieke druk aankunnen –niet aleen van het water maar ook van immense containerschepen.
Nee, Nederland is geen land van kooplieden en dominees. Nederland is een land van kooplieden, dominees én vernuftelingen!

Tot slot nog een aantal opmerkingen in relatie tot de politiek en de verkiezingen.

Wij zijn in politiek opzicht een land van losers geworden. Sedert Paars 1 (1994 – 998) heeft geen enkele coalitie de eindstreep gehaald. Politici bepalen hun beleid op basis van de grillen van hun achterban en op de polls van Maurice de Hondt. De uitslag van de verkiezingen zal wellicht wederom leiden tot een lange formatie en een eindeloze compromisreeks, waarbij ministers een kat en muis spel spelen. Dit alles leidde ertoe en zal er wederom toe leiden dat er geen adequate industriepolitiek, geen grondstoffenpolitiek en geen technologiepolitiek gevoerd zal worden.
De crises in Italië en Griekenland waren zodanig groot dat nu technocraten worden ingezet om de landen een toekomst te geven. Ik ben er geen voorstander van om een regering van technocraten te vormen. Het vormen van een kabinet in een omgeving van vele politieke stromingen en idealen kan slechts bereikt worden door het sluiten van compromissen. Niet de allersterkste eigenschap van technocraten. Maar het is wel noodzaak om een regering te vormen met leden die afstand kunnen nemen van hun politieke partijen; die bereid zijn afspraken te maken en deze vervolgens ook uit te voeren. De omgang met de afspraken in het Kunduz akkoord laat zien hoe ver we daar van af zijn. Consequente uitvoering van afspraken, en niet alleen de korte maar ook de lange termijn daarin meenemen, zal zorgen voor duidelijkheid, voor rust en daarmee voor economische groei in ons land.

Wij zijn natuurlijk bijzonder verheugd dat vandaag een aantal ingenieurs die zitting hebben in de Tweede Kamer onder de toehoorders zijn. Voor hen heb ik twee overwegingen, die ik wil meegeven. De eerste: laat ik beginnen met een vraag: Kijkt u thuis nog zwart/wit televisie? Belt u nog met een kiesschijf en zo’n groot apparaat met een snoer eraan? En, rijdt u nog in een auto van 1970? Vermoedelijk toch niet, neem ik aan. Maar waarom wilt u dan wel dat onze luchtmacht in verouderde vliegtuigen hun –zo belangrijke aken n binnen- en buitenland, moeten verrichten. Aan de JSF is veel geld uitgegeven, maar het is wel het entreeticket tot de modernste technologie. En waarom laten we dan nu de high-tech kennis die dat opleverde en nog beschikbaar zal komen, weglopen door te overwegen om het project stop te zetten.
Een tweede thema betreft de ruimtevaart. Ik heb met stijgende verbazing gezien hoe bewindslieden elkaar bijkans voor de voeten liepen bij de feestelijkheden rondom de terugkeer van AndréKuipers vanuit het ruimtestation ISS. Maar diezelfde bewindslieden haalden achteloos een forse streep door de uitgaven voor ruimtevaart in ons land. Door een intensieve lobby is het de sector gelukt om de tweede Kamer ervan te overtuigen dat dat een enorme impact zou hebben op de technologische ontwikkelingen in ons land. Maar nog altijd staat de voorgenomen bezuiniging op de budgets voor ESA en de Nederlandse Spaceprogramma’s in de gevarenzone. Het onderzoek van Kuipers en anderen is van eminent belang voor vele technologische ontwikkelingen, zoals bijv. in de gezondheidszorg; de waterbeheersing, enz.

Dames en heren, let op uw zaak.

Technologische kennis verliezen gaat snel; het opbouwen ervan vergt grote investeringen en langere termijn.
Maar laten we gezamenlijk ervoor zorgen dat we, zoals we in de VOC tijd deden, de winst maken op basis van onze economische supremacy.
Wij beschikken over prachtige bedrijven als ASML, Shell, de VDL groep, Aalberts, Damen, DSM en anderen die in ons land een hoge toegevoegde waarde realiseren.
Om ons land vooruit te helpen in de groeiende wereldwijde concurrentie zullen we een situatie moeten creëren waarin deze bedrijven kunnen groeien en nieuwe bedrijven kunnen ontstaan.

De 23.000 ingenieurs van het Koninklijk Instituut Van Ingenieurs zijn uw ambassadeurs en dragen graag hun steentje bij.

Club van 31 ouders met toezicht op kinderen

http://www.sportenspeelstraatdebrink.nl/

Ruim 200.000 websites hiermee gemaakt

http://www.jouwweb.nl/overzicht

Brancheschets Industrie UWV juni 2012

https://www.werk.nl/werk_nl/werkgever/direct_doen/WerkgeversServicepunt

Hier kunnen werkgevers een indruk krijgen van de dienstverlening vanuit de werkgeverservicepunten.

http://www.kenteq.nl

Kenniscentrum voor technisch vakmanschap

http://www.caometalektro.nl

Arbeidsmarkt en Opleiding Metalektro

http://www.oom.nl
OOM (opleidingsfonds en opleidingen metaalbewerking)

http://www.otib.nl
OTIB (opleidinfsfonds en opleidingen installatie techniek)

http://www.vapro-ovp.com
Kenniscentrum voor de procesindustrie en koepelorganisatie

PMLF Kenniscentrum voor de sectoren Procestechniek, Milieutechniek, Laboratoriumtechniek en Fotonica

OVP Opleidingsfonds voor de procesindustrie

REWIC instituut voor opleidingen in de elektriciteitsproductie-branche

SORK instituut voor opleidingen in rubber- en kunststofindustrie

http://www.metaalnieuws.nl

Vakblad in de metaal

http://www.stagemarkt.nl

Informatie over stages en leerbanen

http://www.cbs.nl

Doorklikken naar statline voor meer statistische gegevens

Tekort aan technische beroepen (KRO Brandpunt oktober 2012)

Er is een enorm tekort aan technisch personeel in Nederland.

Met een opleiding voor deze beroepen is de kans op werk dus erg groot:

- Productiemedewerkers
- Laboratorium-assistenten
- Laboranten
- Technisch analisten
- Natuurwetenschappers
- Conciërges
- Hoofden technische dienst
- Werktuigbouwkundigen
- Bouwvakkers
- Aannemers en installateurs
- Architecten en bouwkundig projectleiders
- Weg- en waterbouwkundigen (academisch)
- Weg- en waterbouwkundige arbeiders
- Weg- en waterbouwkundige vakkrachten
- Weg- en waterbouwkundig ontwerpers en projectleiders
- Metaalarbeiders
- Bankwerkers en lassers
- Bedrijfshoofden metaalbewerking
- Assembleurs
- Monteurs
- Werktuigbouwkundig ontwerpers en hoofden technische dienst
- Elektronicamonteurs
- Monteurs en controleurs elektrotechnische producten
- Elektromonteurs
- Elektrotechnisch ontwerpers en bedrijfshoofden
- Elektrotechnici
- Grafisch productiepersoneel
- Grafische vakkrachten
- Mechanisch operators
- Procesoperators
- Procestechnologen
- Materiaalkundigen
- Confectie-arbeiders
- Schoen- en kleermakers

Ecorys onderzoek naar techniekberoepen

-3D Printing Architect
-Augmented Reality Engineer
-Traffic Engineer
-Robot Engineer
-Smart Energy Expert
-Cross-Data Analist
-Kennismanager
-Life Cycle Technoloog

Voor meer info

http://www.ecorys.nl/contents/uploads/factsheets/116_1.pdf

Civiele techniek

Hoofdgebieden van de civiele techniek

-Wegenbouw
-Waterbouw
-Watermanagement
-Ondergronds bouwen
-Rail
-Utiliteitsbouw
-Leidingen
-Ruimtelijke ordening
-Milieubeheer

Ontwikkelingen die belangrijk zijn voor het vakgebied civiele techniek?

-Ketenintegratie
-Internationalisering
-Nieuwe contractvormen
-Toepassing van ICT
-Procesinnovatie (BIM)
-Nieuwe constructiematerialen
-Nieuwe technieken
-Duurzaamheid
-Veiligheid

Welke vraag naar banen?

-Ontwerper
-Constructeur
-Opzichter
-Uitvoerder
-Werkvoorbereider
-Bestekschrijver
-Calculator
-Projectleider
-Procesmanager

Kennisgebieden, competenties en vaardigheden waarover de civiel ingenieur van de toekomst moet beschikken?

-Constructief ontwerpen
-2D- en 3D-ontwerpen
-Projectmanagement
-Talen
-Kennis van verwante vakgebieden
-Procesmanagement
-Systems engineering
-Communicatievaardigheden

This is the first day of the rest of your life