dinsdag, april 30, 2013

The sharing economy websites

Bringing creativity to life
http://www.kickstarter.com/

Investors earn better returns, borrowers pay lower rates.
http://www.lendingclub.com/

Huur van mensen in ruim 40.000 steden en ruim 200 landen
https://www.airbnb.nl/

Just over a year ago, we set out to change the way people travel and explore the world
https://gidsy.com/

Online Booking Platform for Tours, Attractions and Activities
https://supplier.getyourguide.com/

Zelf vinden van een advocaat
https://legalloyd.com/

Ondernemen-bijhouden van een financiele administratie
http://www.moneybird.nl/

Mobiliteit
Nothing can beat real people working together
outsmart traffic and get everyone the best route to work and back, every day.
http://www.waze.com/

Wheels when you want them
http://www.zipcar.com/

Car service in a snap!
http://www.snappcar.com/

Your friend with a car
http://www.lyft.me/

Travel together
Find others going your way so you can car-share together
https://www.liftshare.com/

Samenwerken
Get reliable help from our marketplace.
https://www.taskrabbit.com/

An open source construction set - print your own …
http://www.wikihouse.cc/

Leen spullen van mensen in je buurt
https://peerby.com/

Buurten
Report, view, or discuss local problems
http://www.fixmystreet.com/

Vraag en ontdek lokale diensten.
Nu hoef je nooit meer te zoeken naar talent.
http://fray.it/

Gebiedsontwikkeling.nu is een onafhankelijk platform en (kennis) netwerk voor professionals en studenten die zich bezig houden met gebiedsontwikkeling.
http://www.gebiedsontwikkeling.nu/

Shared Earth the Largest Community Garden on the Planet!
http://www.sharedearth.com/

Why shop when you can share?
http://www.yerdle.com/

Maakt het delen van maaltijden makkelijk
http://www.thuisafgehaald.nl/

donderdag, april 25, 2013

Uit Je Eigen Stad te Rotterdam

Op 24 april 2013 is er een excursiedag langs verschillende bestaande stadslandbouw projecten in Rotterdam en omgeving.
Ondernemers, betrokkenen initiatiefnemers en ondersteunende organisaties geven ter plekke een toelichting op de verschillende projecten.

Stadslandbouw in (de regio) Rotterdam in de praktijk

Tijdens een aantal verschillende excursies (per bus) krijgen de deelnemers de kans een aantal stadslandbouw projecten in Rotterdam en omgeving in de praktijk te zien. Centraal staat de vraag op welke manier ondernemers en andere initiatiefnemers de kansen benutten die de stad hen biedt. Ondernemers, betrokkenen initiatiefnemers en ondersteunende organisaties geven ter plekke een toelichting op de verschillende projecten. Koffie-, thee-, en lunchpauze vinden op locatie plaats.

Excursieroute 1: Stadslandbouw showcase projecten in Rotterdam
De stad Rotterdam kent veel gerenommeerde stadslandbouw initiatieven. Tijdens deze excursie wordt een aantal heel uiteenlopende stadslandbouw projecten bezocht, variërend van een commercieel bedrijf tot burgerinitiatieven en een dakakker. Zo krijgt u een goed overzicht wat er op het gebied van stadslandbouw in Rotterdam gebeurt. Tijdens deze excursie bezoekt u:
• Uit je Eigen Stad (state-of-the-art commercieel stadslandbouw bedrijf, met groenteteelt, productie van kippevlees, winkel, restaurant, levering aan lokale horeca)
• Dakakker Het Schieblock (uniek project, teelt van groenten op 800 m2 grond op het dak van een kantoorgebouw)
• Wollefoppengroen & co (initiatief van betrokken buurtbewoners om het Wollefoppenpark en omgeving op te knappen; winnaar van de Rabobank Stadslandbouw Award 2012)
• Tuin aan de Maas (gemeenschapstuin, voor en door bewoners, op een braakliggend bouwterrein waar tijdelijk geen bouwplannen worden uitgevoerd)
• Schiebroek-Zuid (actieve participatie en beheer van buurtbewoners in de aanleg en het beheer van moestuinen) + Hotspot Hutspot (eigen wijkrestaurant met bijzondere formule, waar kinderen en jongeren een gezonde en betaalbare maaltijd koken en serveren aan gasten, vaak met zelfgeteelde groenten)
• Educatieve Tuin De Enk (omvorming van een bosstrook van een kwart hectare tot educatief permacultuur voedselbos, met actieve participatie van buurtbewoners)

Excursieroute 2: Stadslandbouw projecten met sociale insteek in Rotterdam
Deze excursie richt zich vooral op stadslandbouw initiatieven die met name een sociaal karakter kennen, maar toch telkens met een verschillende insteek (zoals onderwijs, participatie, gezonde voeding, etc.). Tijdens deze excursie bezoekt u:
• Schiebroek-Zuid (actieve participatie en beheer van buurtbewoners in de aanleg en het beheer van moestuinen) + Hotspot Hutspot (eigen wijkrestaurant met bijzondere formule, waar kinderen en jongeren een gezonde en betaalbare maaltijd koken en serveren aan gasten, vaak met zelfgeteelde groenten)
• De Voedseltuin (productie van biologische groente en fruit voor de Voedselbank op braakliggend terrein op basis van permacultuur; medewerkers zijn mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en vrijwilligers)
• Gandhituin De Overvloed (buurttuin geïnspireerd door de visie van Gandhi, met voedselproductie, educatie, leefcentrum en tal van sociale activiteiten)
• Bloemhof (Rotterdam Vakmanstad; onderwijsproject waarbij jongeren fysieke, sociale en mentale skills meekrijgen; onderwijs en de tuin zijn met elkaar verweven)
• Kook/Oogst met mij mee (buurttuin waar kinderen en buurtbewoners meedoen met zaaien, verzorgen en oogsten van diverse groenten en eetbare bloemen en al doende kennis opdoen over duurzaam stadsmoestuinieren; de ingrediënten worden gebruikt in kooklessen voor kinderen)
• Wijktuin De Esch (Kralingen; buurttuin in de openbare ruimte op basis van permacultuur, waarin bewoners elkaar kunnen ontmoeten, samen tuinieren, informatie uitwisselen, eten en feestjes vieren)

Excursieroute 4: Buitengebied ten zuiden van Rotterdam
Deze excursie voert naar de kleipolders van de eilanden IJsselmonde en Voorne-Putten. Eerst wordt Hoeve Doelwyck/Bio aan Huis bezocht. een biologisch landbouwbedrijf in de Hoekse Waard, wat online verkoop en een biologische bezorgdienst heeft opgezet. Daarna wordt wijnboerderij De Vier Ambachten aangedaan. Dit bedrijf wijkt sterk af van de gangbare land- en tuinbouw in het oude polderland rond Simonshaven. Ook de Buytenhof in Rhoon, die veel dichter bij de stad Rotterdam ligt, is minder gangbaar dan de andere bedrijven op IJsselmonde. Traditioneel zijn de teelt van appels en peren, maar de zorgtak, landwinkel en vergaderaccommodatie zijn van recenter datum. Tenslotte wordt een bedrijf in Zwijndecht bezocht. Dit deel van IJsselmonde wordt gekenmerkt door grootschalige verstedelijking door de aanleg van bedrijventerreinen, woonwijken en infrastructuur. Maar in de omgeving van Zwijndrecht en Ridderkerk zijn nog steeds agrarische ondernemers actief. Kenmerkend voor de bedrijven ook in deze excursie, is hun directe, wederkerige relatie met de nabij gelegen stad. Tijdens deze excursie bezoekt u:
• Bio aan Huis/Hoeve Doelwyck (biologisch landbouwbedrijf, bezorgdienst en online verkoop, marktverkoop, relatie met Nationaal Landschap Hoekse Waard)
• De Buytenhof (fruitteelt, koeien, varkens, theeschenkerij, boerderijwinkel, zorgboerderij)
• Regio Deltapoort, bezoek Kwekerij Groenesteeg (biologische groenteteelt in de kas op basis van seizoensgroenten, directe levering, afstemming vraag en aanbod, bijzondere groenterassen)

Onderzoek Vasco Lub

Wijkenbeleid is te vaak symbolisch

VASCO LUB 24 APRIL 2013

Nederlandse achterstandswijken zijn de laatste jaren overspoeld met sociale projecten die de leefbaarheid moeten verbeteren, zoals wijksport en straatcoaches. Menig wethouder kon er goed mee scoren. Maar werken ze ook? Vasco Lub schetst een ontnuchterend beeld.

Sociale leefbaarheidsprojecten zijn doortrokken van als vanzelfsprekend aangenomen assumpties over ‘wat werkt’. De argumentatie achter deze interventies en de causale verbanden die daarbij worden verondersteld, klinken vaak aannemelijk. Maar daarmee zijn ze nog niet per definitie waar. In een recent afgeronde studie confronteer ik de meest dominante sociale buurtaanpakken met wetenschappelijke inzichten. Het onderzoek richtte zich op vijf beleidsthema’s: stimuleren van bewonerscontacten (1), burgerbestuur en buurttoezicht (2), de inzet van straatcoaches (3), gebiedsgebonden gedragscodeprojecten (4), en sport en spel in de wijk (5). Voor elk thema zijn zogenaamde ‘interventietheorieën’ gereconstrueerd, dat wil zeggen ideaaltypische aannames over hoe een bepaalde maatregel zou moeten bijdragen aan de buurtleefbaarheid. Ter toetsing analyseerde ik meer dan 300 (inter)nationale studies. Uit de confrontatie met wetenschap kristalliseert zich een informatief, maar ook een ontnuchterend beeld van de houdbaarheid van populaire buurtassumpties.

De belangrijkste uitkomsten:

Meer sociale cohesie leidt niet per se tot veilige wijk
Er is geen wetenschappelijk bewijs dat frequentere en hechtere contacten tussen bewoners in achterstandswijken meer sociale controle opleveren en daardoor een gunstige invloed uitoefenen op de buurtleefbaarheid. Uit literatuuronderzoek blijkt weliswaar dat deze zaken met elkaar samenhangen, maar een causaal verband is niet aangetoond. Veel wetenschappelijk onderzoek wijst er zelfs op dat sociale cohesie eerder het gevolg is van een veilige leefomgeving dan de oorzaak ervan. Dit roept vragen op over de talloze leefbaarheidsinitiatieven rond bewonerscontacten. Bovendien blijkt dat het versterken van sociale netwerken geen strikte voorwaarde vormt voor bewonersactivisme. Individuele motivatie en de aard van de overlastsituatie c.q. het buurtprobleem zijn veel bepalender in de bereidheid tot actieve sociale controle dan sociale steun van buurtgenoten. Ook de aanwezigheid van actieve bewonersgroepen en rugdekking van professionals, blijken belangrijke voorwaarden voor mensen om anderen aan te spreken op normoverschrijdend gedrag.

Impact burgerinspraak op buurtleefbaarheid beperkt
Ook het potentieel van ‘burgerkracht’ in lokaal veiligheidsbeleid moet vanuit wetenschappelijk oogpunt worden gerelativeerd. Bewonersplatforms die zich richten op meervoudige leefbaarheidsproblematiek dragen beperkt bij aan de oplossing van buurtproblemen. Soms neemt door de communicatie over en weer met overheidsdiensten het veiligheidsgevoel van bewoners toe. Maar feitelijke verbeteringen van de buurtleefbaarheid (afname van criminaliteit, verloedering etc.) worden zelden geregistreerd. Dit lijkt vooral te worden veroorzaakt door botsende logica’s tussen de burgerpanels en professionele instanties. Ook zijn wijkbewoners niet altijd vanzelfsprekende ‘ogen en oren’ van de straat. Bewoners interpreteren wijkproblemen vaak uiteenlopend. Dit bemoeilijkt een effectieve bijdrage van burgers aan lokaal veiligheidsbeleid via inspraakorganen, omdat zij vaak nauwelijks met één stem kunnen spreken.

Onvoldoende bewijs dat gedragscodeprojecten overlast tegen gaan
Gebiedsgebonden gedragscodeprojecten – de projecten die op straat– of buurtniveau collectieve leefregels beogen vast te stellen – weten slechts een beperkt aantal bewoners te bereiken. Het beeld dat uit verschillende onderzoeken ontstaat, is dat van een kleine bewonersgroep die zich in haar buurtgebruik sterker dan gemiddeld richt op de directe woonomgeving, en zich daarbij aangetrokken voelt tot een specifiek soort sociale normering (‘Wij groeten elkaar!’). Voor deze bewoners hebben de straatafspraken waarschijnlijk een extra bindend effect. Maar het is onwaarschijnlijk dat hiermee een wijdere kring van bewoners wordt bereikt die zich vervolgens committeert aan de vastgestelde regels. Sociaalwetenschappelijke inzichten laten daarbij zien dat een buurt of straat nauwelijks een collectief vormt waarin effectief groepsnormen kunnen worden afgedwongen. Sociale normen zijn altijd groep-specifiek, wat inhoudt dat gedrag dat wordt ervaren als ‘onbeschaafd’, niet dezelfde betekenis heeft voor verschillende sociale groepen. Het overlegproces tussen lokale bewoners kan daardoor zelfs tot tegengestelde effecten leiden, zoals fricties tussen bewoners of tussen instanties en bewoners.

Impact van straatcoaches twijfelachtig
De inzet van straatcoaches vertaalt zich niet in een grotere objectieve of subjectieve veiligheid in probleemgebieden. Uit een synthese van Nederlandse evaluaties van straatcoaches blijkt hun impact op overlast en criminaliteit op zijn best twijfelachtig. Geen van de verzamelde stedelijke evaluaties kan hardmaken dat de inzet van de coaches daadwerkelijk leidt tot een afname van (jeugd)overlast. Daarvoor zijn de resultaten in verschillende steden te gemengd en overlast- en aangifteontwikkelingen in de periode dat de coaches actief waren, te zeer overeenkomstig met cijfers in gebieden met vergelijkbare overlast. In Utrecht laten sommige wijken zelfs een toename zien van geregistreerde jongerenoverlast sinds de inzet van de coaches. Of de coaches zelf nu zoveel ‘coachender’ zijn dan politieagenten of stadswachten blijft onduidelijk. Geen van de evaluaties baseert zich op onafhankelijke observaties of op gesprekken met jongeren (enkel op dagrapportages van de coaches zelf), waardoor bovendien onbekend blijft of de straatcoaches jongeren daadwerkelijk gericht aanspreken op ongepast gedrag.

Wijksport: pedagogisch aanknopingspunt, maar geen gedragsveranderaar
Sport is wellicht de meest populaire sociale wijkinterventie van dit moment. In vrijwel elke achterstandsbuurt organiseren het lokale jeugdwerk of sportbuurtwerkers voetbaltoernooien, vechtsportlessen of sportieve pleinactiviteiten. Wijksport kan dienen als pedagogisch aanknopingspunt voor risicojongeren, maar is op zichzelf geen gedragsveranderaar. Uit onderzoek blijkt dat het niet zozeer de sportbeoefening zélf is die tot socialer gedrag aanzet, maar het sporten in combinatie met morele educatie en een activiteitenbegeleiding gericht op de pedagogische vorming van jongeren. In die zin kan sport dus van waarde zijn om ‘risicojongeren’ in achterstandswijken te bereiken en in sociale zin toe te rusten. Tegelijkertijd moet de vermeende intrinsieke kracht van sport niet worden veralgemeniseerd. Sport is geen sociaal wondermiddel. Uit Scandinavisch en Amerikaans onderzoek blijkt bovendien dat disciplines met een hoog masculien gehalte zoals vechtsporten en boksen, gewelddadig en antisociaal gedrag van jongens eerder aanwakkeren dan dat ze deze beperken.

Sterk bewijs dat burgerwachten leefbaarheid verbeteren
De hoop dat surveillance door burgerwachten (buurtpreventieteams) een gunstige invloed heeft op de buurtleefbaarheid wordt grotendeels bevestigd door wetenschappelijke inzichten. Hoewel Nederland geen resultaatmetingen naar burgerwachten kent, laat buitenlands onderzoek een positief beeld zien van de aanpak. De meerderheid van internationale evaluaties rapporteert een grotere reductie of kleinere toename in criminaliteit ten opzichte van vergelijkbare wijken waar geen burgerwachten actief zijn. Bovendien blijkt bij de positieve evaluaties de impact van surveillerende vrijwilligers op de wijkveiligheid aanzienlijk. Waarom burgerwachten veelal een positieve uitwerking hebben, blijft echter onduidelijk. Ook over de morele kant van hun inzet (sociale controle van burgers door burgers) is nog weinig empirisch onderzoek beschikbaar.

Conclusie: wijkenbeleid tussen symboliek en effectiviteit
Slechts een klein deel van de projecten is dus gebaseerd op aannames die wetenschappelijk houdbaar zijn. Van het merendeel van de onderzochte beleidsinterventies is het twijfelachtig tot ronduit ongeloofwaardig dat zij hun gestelde doelen bereiken. Is dat erg? Wellicht hebben de maatregelen namelijk wel een belangrijke symbolische of rituele functie die indirect tot positieve bijvangsten leidt. Een wethouder kan via het organiseren van sportactiviteiten in aandachtswijken laten zien dat zij de ontwikkeling van kansarme jeugd belangrijk vindt, wat voor die jeugd wellicht ‘empowerend’ werkt. En met het optuigen van een burgercomité straalt de gemeente uit dat de stem van bewoners meetelt in de aanpak van verloedering en veiligheid. En mogelijk leidt dat weer tot een groter vertrouwen van burgers in de lokale overheid. Kortom, de symbolische functie van beleid is toch minstens zo belangrijk als diens instrumentele doelmatigheid?

Om drie redenen plaats ik kanttekeningen bij deze gedachtegang.
Ten eerste overschaduwen symbolische maatregelen veel nuttig, maar minder zichtbaar werk van sociale beroepskrachten. Probleem is dat het dagelijkse werk van die beroepskrachten weinig ‘sexy’ is. Het is bovendien minder visueel te maken dan een buurtbarbecue of sportactiviteit. Gevolg: terwijl de gemiddelde jongerenwerker door kostenbesparing tot achter de komma zijn handelen moet verantwoorden, worden met het grootste gemak voor veel geld sporthallen afgehuurd om ‘risicojeugd’ te laten taekwondo-en. Natuurlijk zijn de handelingen van die sociale beroepskrachten ook niet altijd bewezen effectief. Maar hun dagelijkse geploeter in probleemwijken met probleemgroepen is in elk geval relevanter dan dergelijke eenmalige window-dressing events.

Ten tweede beseffen overheidsorganen vaak onvoldoende dat burgers zelf weinig boodschap hebben aan beleid als ritueel, vooral waar het gaat om leefbaarheids- en veiligheidsissues. Wanneer bewoners bijvoorbeeld deelnemen aan een buurtbeheergroep, willen zij dat hun signalen serieus worden genomen. Dit vraagt flexibiliteit van instanties en een professioneel kader dat gemandateerd is om leefbaarheidsprioriteiten om te zetten in actie. Wordt hier niet aan voldaan, dan leidt dit eerder tot een afname van bewonersactivisme. Met andere woorden: een groter vertrouwen van burgers in de overheid via bewonersinspraak is leuk, maar dit wordt alleen bereikt als die overheid zich ook houdt aan haar part of the bargain.

Tot slot kunnen ook goedbedoelde projecten negatieve gevolgen hebben. Uit de Verenigde Staten zijn talloze voorbeelden bekend van sociale initiatieven die de beste bedoelingen hadden, maar zorgbarende uitkomsten lieten zien (het beste voorbeeld is misschien wel het Scared Straight Program). In ons land zijn de vechtsporten een treffende illustratie van een aanpak die symbolisch gezien aanspreekt, maar instrumenteel gezien averechtse effecten kan sorteren. Het Nederlandse wijkenbeleid zal zich altijd wel blijven bewegen tussen de krachten van symboliek en effectiviteit. Maar gelet op de uitkomsten van mijn studie mag die balans in de toekomst vaker doorslaan naar het laatste.

Vasco Lub werkt bij zijn eigen Bureau voor Sociale Argumentatie en is daarnaast verbonden aan de Vakgroep Sociologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dit artikel is gebaseerd op onderzoek in opdracht van MOVISIE. Op 25 april presenteert Lub hierover zijn boek ‘Schoon, heel en werkzaam? Een wetenschappelijke beoordeling van sociale interventies op het terrein van buurtleefbaarheid’ (Boom-Lemma Uitgevers), in debatcentrum Arminius in Rotterdam.

http://www.socialevraagstukken.nl/site/2013/04/24/wijkenbeleid-te-vaak-symbolisch/

woensdag, april 24, 2013

Onderwijsverslag april 2013

Onderwijsverslag 2011/2012: de middelmaat voorbij: veel scholen kunnen beter
24 april 2013

Er is winst geboekt aan de onderkant van het onderwijs door een forse terugdringing van het aantal zwakke en zeer zwakke scholen. Maar de onderwijskwaliteit op scholen en opleidingen die niet zwak of zeer zwak zijn is de afgelopen jaren hetzelfde gebleven. De kwaliteit van het onderwijs op deze scholen laat geen vooruitgang zien. Verder zijn er in Nederland, internationaal gezien, te weinig heel goede en excellerende leerlingen. De kwaliteit van de scholen en opleidingen met basistoezicht moet en kan verder omhoog. Gebeurt dat niet, dan wordt leerlingen te weinig kansen geboden en zet de achteruitgang in internationale vergelijkingen door. De Nederlandse ambitie om tot de top van de kenniseconomieën te behoren wordt dan niet gehaald. Dat is de belangrijkste uitkomst van het Onderwijsverslag 2011/2012, dat de Inspectie van het Onderwijs op 24 april 2013 presenteert.

Minder zwakke en zeer zwakke scholen
In alle onderwijssectoren daalt het aandeel zwakke en zeer scholen. Dit effect treedt nog niet op bij de mbo-opleidingen. Per 1 september 2012 was 0,2 procent van de basisscholen zeer zwak en 2,9 procent zwak. Het totaal aantal zwakke en zeer zwakke basisscholen is in vier jaar tijd gedaald van 10,6 procent naar 3,1 procent. Op voormalig zwakke of zeer zwakke scholen zijn verbeteringen vrijwel altijd zichtbaar in zowel het onderwijsproces als in de leerprestaties. De verbeteringen zijn meestal zo groot, dat deze scholen en opleidingen zelfs beter worden dan gemiddeld.

Basiskwaliteit is niet goed genoeg
Het onderwijs in Nederland is doorgaans in orde. Maar toch ziet de inspectie bij een aanzienlijk deel van scholen tekortkomingen. In het basisonderwijs schiet 54 procent van de scholen tekort op tenminste één belangrijk onderdeel van het onderwijsproces. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om zaken als:
• rekening houden met verschillen tussen leerlingen
• het betrekken van leerlingen bij de les
• goede zorg voor leerlingen die dat nodig hebben.
In het voortgezet onderwijs gaat het in om zo’n 80 procent van de afdelingen. In het bekostigd mbo zijn op diverse punten ook nog verbeteringen mogelijk.

Professionalisering leraar blijft nodig
Voor onderwijsverbetering is de rol van de leraar essentieel. De meeste leraren leggen duidelijk uit, zorgen voor een taakgerichte sfeer in de klas en betrekken de leerlingen actief bij de les. Wel hebben beginnende leraren vaker moeite met deze basisvaardigheden. Complexere vaardigheden zijn voor meer leraren lastig. Op basisscholen beschikt 37 procent van de leraren over zowel de basis- als de complexere vaardigheden. Op het havo geldt dit voor slechts 28 procent van de leraren. In het praktijkonderwijs ligt dit met 55 procent het hoogst.
Verdere professionalisering blijft nodig. Bijvoorbeeld door intervisie, peer to peer trajecten en coaching on the job. Feedback geven is in het mbo minder gangbaar dan in primair of voortgezet onderwijs. In het mbo reflecteert slechts een derde van de leraren op hun functioneren naar aanleiding van feedback vanuit de instelling.

Meer aandacht voor het onderwijs bij besturen
Ook besturen hebben een belangrijke taak bij onderwijsverbetering. Veel besturen hebben al belangrijke stappen gezet om de onderwijskwaliteit te verbeteren. Maar teveel besturen richten zich nog op aspecten als financiën en huisvesting, terwijl het onderwijs zelf hun kerntaak is. Besturen van onderwijsinstellingen moeten zorgen voor de juiste randvoorwaarden voor hun schoolleiders en leraren om tot optimale resultaten te komen en het maximale uit leerlingen en studenten te halen. Het ambitieniveau kan en moet veel hoger. Alleen door samen op te trekken kan het onderwijs beter worden.

Over het Onderwijsverslag
De Inspectie van het Onderwijs brengt jaarlijks het Onderwijsverslag uit. Hierin doet zij verslag over de staat van het onderwijs, zoals bedoeld in de Grondwet, artikel 23, lid 8 en de Regeling Inspectie van het Onderwijs, artikel 3.

http://www.onderwijsinspectie.nl/actueel/nieuwsberichten/onderwijsverslag-2011-2012-de-middelmaat-voorbij-veel-scholen-kunnen-beter.html?homeref=true

http://www.onderwijsinspectie.nl/binaries/content/assets/Onderwijsverslagen/2013/onderwijsverslag-2011-2012-hoofdlijnen.pdf

Onderwijs in Nederland

24 april 2013 10:20
‘Onderwijs blinkt uit in middelmatigheid’

De kwaliteit van het Nederlandse onderwijs wordt gekenmerkt door middelmatigheid. Zwakke en zeer zwakke scholen bestaan nauwelijks nog, maar daar is ook alles mee gezegd.

Een hele grote groep scholen voldoet nét aan de minimumeisen, heel weinig scholen presteren boven verwachting goed. Dat staat in het woensdag gepresenteerde jaarverslag ‘De staat van het onderwijs’ van de Inspectie van het Onderwijs.

‘’Er is sprake van een stagnatie’’, zegt Annette Roeters, inspecteur-generaal van de inspectie. ‘’De afgelopen jaren was er een duidelijk positieve ontwikkeling aan de onderkant, waardoor er nu nauwelijks nog zwakke scholen zijn. Maar daarna houdt het op. Nederland kent heel erg weinig excellerende leerlingen en scholen. Het aantal goed presterende leerlingen lijkt zelfs af te nemen de laatste jaren.’’
Internationaal gezien is Nederland daardoor gezakt van de top naar de middenmoot. Overigens is die positieve ontwikkeling niet te zien bij het middelbaar beroepsonderwijs, daar stijgt het aantal zwakke opleidingen. Op 1 september vorig jaar waren 22 mbo-opleidingen zeer zwak.

Afstemmen
Volgens Roeters is er zeker ruimte voor verbetering, bijvoorbeeld door het onderwijs beter af te stemmen op de verschillende groepen leerlingen. ‘’Wij vrezen dat te veel scholen het idee hebben ‘we voldoen aan de minimumnormen, waarom moeten we nog meer ons best doen’. Dat is een zorgelijke ontwikkeling.’’
Roeters laat weten dit vanaf komend jaar aan te gaan pakken. ‘’We gaan vanaf augustus 2014 niet meer alleen de zwakke en zeer zwakke scholen benoemen, maar ook de categorieën daarboven. We weten nog niet precies hoe we het gaan inkleden, maar denk bijvoorbeeld aan scholen matig, voldoende of zeer goed noemen.’’
Aan de andere kant signaleert de inspectie ook dat scholen leerlingen soms belemmeren bij hun opleiding, om als schoolbestuur beter te scoren. Dat gebeurt bijvoorbeeld door het niet toelaten van scholieren met een lagere Citoscore of die ooit zijn blijven zitten. Sommige scholen laten leerlingen zitten in de klas voor het eindexamen of sturen ze naar een lager niveau om op die manier een betere gemiddelde score op de eindexamens te krijgen.

AOb
De Algemene Onderwijsbond (AOb) onderschrijft de conclusie van de Inspectie van het Onderwijs. Dat de kwaliteit niet omhooggaat, ligt volgens de vakbond aan de financiële klem waar het onderwijs in zit. Dat zegt AOb-voorzitter Walter Dresscher woensdag in reactie op het gepresenteerde jaarrapport van de inspectie.
‘’We hebben lucht nodig’’, zegt Dresscher. ‘’Scholen hebben te maken met stijgende kosten die niet worden gecompenseerd en kampen in het basisonderwijs vaak met een krimpend scholierenbestand.’’ Hij vindt dat er geen enkel excuus is om genoegen te nemen met basiskwaliteit en daarna achterover te leunen.
In het rapport van de inspectie staat dat de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs wordt gekenmerkt door middelmatigheid. Zwakke en zeer zwakke scholen bestaan nauwelijks nog, maar een hele grote groep scholen voldoet nét aan de minimumeisen. Heel weinig scholen presteren boven verwachting goed.

CNV
Vakbond CNV Onderwijs laat weten blij te zijn dat uit het verslag blijkt dat er geen verband is tussen de omvang van een school en de kwaliteit.
Een aantal jaar geleden waren met name kleine scholen vaker zwak of zeer zwak. De Onderwijsraad adviseerde onder meer op die grond het ministerie om basisscholen met minder dan 100 leerlingen te sluiten. De vakbond is daar fel tegen. ‘’Dit inspectierapport laat zien dat dit argument geen stand houdt’’, aldus een woordvoerder.

zaterdag, april 20, 2013

De column “Sluipmoord op het MKB” verscheen in Trouw op vrijdag 19 april 2013.

Column Leendert Bikker, 19 april 2013

Het zijn ogenschijnlijk nette en onschuldige brieven die worden verstuurd. Je wordt als leverancier bedankt voor de jarenlange levering van allerhande diensten. Broodjes, de schoonmaak, telefoondiensten en noem zo maar op. Maar dan, aan het einde van de brief wordt de mededeling gedaan dat het vanaf nu wel 15 procent goedkoper moet. En zo mag je hetzelfde werk blijven doen, maar dan met een forse korting. Als deze bedrijven nou woekerwinsten zouden maken dan was er misschien nog iets voor te zeggen. Maar een gemiddelde onderneming in het midden- en kleinbedrijf boekt een resultaat van vijf procent, en dan heeft men het niet slecht gedaan vandaag de dag. In werkelijkheid zijn de marges vele malen dunner.
Genoemde brieven worden opgesteld door de afdeling procurement van de grote multinationals. Procurement is een chique woord voor inkoop. Een bedrijf dat voor zeg één miljard aan diensten inkoopt in de wereld zegt met één instructie dat dit bedrag 15 procent lager moet. Het betekent eenvoudigweg een besparing van € 150 miljoen en die is altijd welkom. Maar dit doen alle multinationals en grote ondernemingen en dan is de impact groot. Een multinational werkt vaak in heel veel landen en heeft geen specifieke banden met een lokale economie. Daar wringt ‘m dan ook direct de schoen. Als op een financieel hoofdkantoor een dergelijke besparing wordt bedacht, dan bekommer je je niet over de gevolgen in een land als bijvoorbeeld Nederland. Wij kennen relatief veel internationale bedrijven en die wentelen stuk voor stuk hun bezuinigingsdriften af op de lokale leveranciers. Omdat zij hun klanten niet kwijt willen raken gaan ze veelal mee in het goedkoper aanbieden van de werkzaamheden. Tot het niet meer kan. Echt niet meer kan. Je kan niet jarenlang stoppen met investeren in de ontwikkeling van je mensen. Je kan niet structureel geen geld meer investeren in nieuwe ontwikkelingen. Je kan niet onbeperkt tegen je mensen blijven zeggen dat er ook dit jaar weer geen salarisaanpassing in zit. Er zijn leveranciers die hun werkzaamheden al voor meer dan veertig procent goedkoper aanbieden. Dan spreken we niet meer over korting, maar over een sluipmoord op het midden- en kleinbedrijf. Het is schering en inslag bij de grote ondernemingen. Lees de jaarverslagen er op na. Jaarverslagen waar ze overigens ook met veel aplomb spreken over hun bijdrage als maatschappelijk verantwoord ondernemer. Allerhande aansprekende projecten waar ook ter wereld worden ondersteund en omarmd en goede sier mee gemaakt. Dat de buurman die jou jarenlang je broodjes met kaas leverde zelf geen eten heeft, deert niet. Dat de schoonmaakonderneming die gedurende lange tijd je fabrieken schoonhield nu aan de laatste schoonmaak in zijn eigen bedrijf bezig is, doet niet ter zake. Het herstel van de economie begint met elkaar weer in de buurt op te zoeken en elkaar iets te gunnen. Mensen die weer met mensen zaken doen, in plaats van procurement officers die meedogenloos en anoniem aanbestedingen managen.

maandag, april 15, 2013

Wiebe Draijer (SER voorzitter) over o.a. techniek

‘Studenten moeten de wereld in’
TU-alumnus Wiebe Draijer is sinds september 2012 voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, een belangrijk adviesorgaan van de regering. Dat hij flink veel salaris moest inleveren, deert hem niet. “Het is goed om een bijdrage te leveren aan het publieke domein.”

Collegezaal 2 bij de faculteit Werktuigbouwkunde, Maritieme Techniek en Technische Materiaalwetenschappen (3mE) zit zaterdagmiddag 23 maart tjokvol. Niet met studenten, maar met oud-studenten. Het is alumnidag en één van de sprekers is oud-werktuigbouwkundestudent Wiebe Draijer (47). Hij is sinds september 2012 voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (SER). Dit adviesorgaan zag zijn invloed onder Rutte I behoorlijk afnemen, maar mag nu weer volop meedenken over de uitwerking van kabinetsplannen.
Hij vertelt zijn toehoorders over zijn loopbaan en zijn huidige werk. “Mijn loopbaan lijkt een opeenstapeling van toevalligheden. Ik wilde journalist worden, maar een journalist zei me dat ik beter een vak kon leren. Toen ben ik deductief te werk gegaan. De studie werktuigbouw was de beste optie. En o ja, mijn vader had dat ook gedaan.” Gelach in de zaal.
Toen Draijer zeventien jaar was en in NRC Handelsblad een personeelsadvertentie zag voor een redacteur technologie, stuurde hij toch een brief, vertelt hij. “Iemand op de redactie dacht: die jongen heeft lef, laten we hem uitnodigen. Ik werd aangenomen. Tijdens de eerste twee jaar van mijn studie was ik vooral met die bijbaan bezig. Tot ik college kreeg van de pas overleden professor Okko Bosgra. Toen ging het fakkeltje aan. Ik viel als een blok voor de regeltechniek. Bosgra stond aan het front van een heel nieuwe regeltechnische ontwikkeling. Enorm inspirerend.”

Kamertje

Draijer studeerde af bij het Natlab van Philips. Het leverde hem twee octrooiaanvragen op voor onderdelen in de cd-speler. “Ik had iets bijgedragen. Dat was een goed gevoel. Maar tussen half acht ’s ochtends en half elf ’s avonds zat ik alleen in een kamertje te werken. Dat was niet mijn ding.”
Draijer bedacht een volgende carrièremove, maar het toeval wilde anders. “Ik was vastbesloten te gaan promoveren in Zweden. Ik was er zelfs al, maar mijn plannen liepen stuk op de financiering vanuit Nederland.” Hij ging niet bij de pakken neerzitten. In 1990 werd hij organisatieadviseur bij McKinsey, waar hij een aantal grote fusies en overnames heeft begeleid die hij nog steeds niet met naam vermeld wil hebben.
Draijer klom op en bracht het tot directeur Benelux. Hij vond toen al dat hij een bijdrage moest leveren aan de samenleving. Voordat dat plichtsbesef hem deed besluiten SER-voorzitter te worden, begon hij twaalf jaar geleden de website 21minuten.nl. Daarmee heeft Draijer de democratie ‘op zijn kop willen zetten’. “Het idee was dat iedereen grote maatschappelijke vraagstukken kan oplossen. Mensen blijken heel goed in het maken van een integrale afweging bij moeilijke beleidskeuzes, als ze maar op de hoogte zijn van oorzaken en gevolgen. Al in het begin van 21minuten.nl bleken mensen bijvoorbeeld bereid de hypotheekrenteaftrek los te laten.”
Toen Draijer werd gevraagd SER-voorzitter te worden, hoefde hij niet lang na te denken. Lachend: “Ik moest thuis even checken of het goed was dat mijn salaris aanzienlijk omlaag zou gaan.” Draijer krijgt bij de SER jaarlijks zo’n 140 duizend euro; tonnen minder dan bij McKinsey. Na een half uur bedenktijd zei hij ja. “Het is goed een bijdrage te leveren aan het publieke domein.”

Poldermodel
Draijers inhoudelijke verhaal klinkt hoopvol. Kritische noten verpakt hij vooral in praten over kansen. Scherpe bewoordingen passen niet bij de voorzitter van hét polderorgaan pur sang. In dat polderen gelooft hij heilig. “Alle grote doorbraken zijn daarop terug te voeren. Onze overlegeconomie is een fundamentele sterkte. Het duurt even, maar uiteindelijk zijn we twee keer zo snel als andere landen. Neem de pensioenleeftijd. Overal wordt nagedacht over verhoging, ook in Nederland is lang gepraat. Intussen stijgt de reële pensioenleeftijd nergens zo hard als hier: met een half jaar per jaar.” Draijer ziet wel dat het poldermodel onderhoud behoeft, vertelt hij de alumni. “We hebben te veel instituties en te weinig verbinding. We hebben verbinding nodig met de individuele Nederlander. Ik kan onderdeel zijn van de oplossing van dat probleem.”
Voor dit gehoor wil hij ook iets kwijt over de Nederlandse industrie. “Onze industrie heeft kracht als kennisconcurrent. Je kunt denken van internationale overnames van Nederlandse bedrijven wat je wilt, maar één ding laten ze heel goed zien: wij hebben kennis die anderen willen hebben en die we zelf kennelijk niet hebben kunnen benutten of vermarkten. Echt, onze kennisbasis is ongelooflijk sterk. Lukt het niet om die volledig uit te buiten, dan komt dat door een gebrek aan wil of ondersteuning in de vorm van goed beleid.”
Als voorbeeld noemt Draijer de barrières die bedrijven in Nederland tegenkomen bij het starten van duurzame projecten. “Dat is tranentrekkend. Neem Siemens. Dat kreeg na negen jaar een vergunning voor een offshore windpark. Toen bleek het bedrijf de turbines die in de aanvraag stonden niet eens meer te maken. De hele aanvraagprocedure kon opnieuw. We kunnen zoveel winnen met goed beleid. Nederland heeft altijd de brutaliteit gehad om ver boven zijn macht te reiken. Dat heeft ons ver gebracht.”

Sluipziekte

Na zijn lezing mogen de alumni Draijer vragen stellen. Iemand wil weten wat er volgens hem moet gebeuren om de lage waardering voor technische opleidingen en het tekort aan mensen in technische beroepen op te krikken. De SER-voorzitter wisselt zonder haperen van onderwerp. “Er zijn tachtigduizend mensen nodig in de hightechindustrie en we komen 150 duizend ambachtslui tekort. We moeten werken aan aantrekkelijkheid en aan verbinding met de arbeidsmarkt. Laat onderwijs en arbeidsmarkt dichter tegen elkaar aanschurken. Tegelijkertijd is er een sluipziekte ontstaan, die epidemische vormen krijgt. De schooluitval onder jongens is beschamend hoog. Dat komt door de feminisering van het onderwijs. Heel goed dat meisjes beter presteren, maar er moet ook aandacht zijn voor praktische onderwijsvormen, die over het algemeen meer bij jongens passen.”Als iemand anders Draijer vraagt waarom hij denkt dat veel grote infrastructurele projecten traag van de grond komen, heeft hij weer een analyse paraat. “Dat komt door inspraakprocedures en een gebrek aan betrokkenheid van individuen. Windmolenparken stuiten bijvoorbeeld op veel verzet. Laat mensen participeren, laat het ‘ons park’ worden. Leg beter uit waarom iets moet en versimpel waar nodig de procedures. Al moet inspraak niet overal verdwijnen; die heeft een belangrijke functie. We hebben vooral consistentie van beleid nodig, al is dat lastig met alle wisselingen van de wacht in Den Haag.”
Daarna gaan de oud-studenten uiteen, de campus op. Draijer pakt een in cellofaan gewikkeld broodje uit de overblijfselen van de lunch eerder die middag. Als hij net zit, spreekt een mede-alumnus hem aan. Volgens hem moet overlegland Nederland een list verzinnen om te kunnen concurreren met centraal geleide landen als China. Draijer blijft vaag: “De uitdaging is: hoe maak je plannen die tien jaar lang kunnen doorwerken, ook al treedt er om de twee jaar een nieuw kabinet aan.” De man neemt er genoegen mee en beent weer verder. Draijer neemt een hap van zijn broodje, dat druipt van de mosterdsaus.

U zei dat er meer techneuten nodig zijn. Maar veel ingenieurs kiezen voor niet-technische beroepen, u ook.

“Klopt. Het heeft even geduurd voordat mijn vader mijn overstap naar McKinsey accepteerde. Je moet mij niet meer aan de knoppen zetten, maar ik zal altijd in de buurt van de industrie blijven. Voor nu ben ik blij dat ik in de publieke sector zit. In Amerika is het heel gebruikelijk voor mensen uit de private sector om een paar jaar in de publieke sector te werken. Ik vind het enorm verrijkend. De mensen bij de SER zijn onwaarschijnlijk gemotiveerd en overtuigd van de overlegeconomie. Ze voldoen totaal niet aan het beeld dat het bedrijfsleven van hen heeft. Ze werken keihard.”

Wat hebt u nog aan uw opleiding?

“Ik werk met acht economen aan een analyse van wat er mis is met Nederland en hoe we dat kunnen oplossen. Ik kan daar inhoudelijk nog niks over zeggen. Maar als Delftenaar houd ik me staande door logische vragen te stellen en mijn boerenverstand te gebruiken. Ik maak me onderwerpen snel eigen.”

Als u wel had kunnen promoveren, was u nu hoogleraar geweest.

“Misschien, maar het liep anders. Veel van mijn keuzes ontstonden doordat mensen me kansen gaven. Zoals professor Bosgra, of de NRC-redacteur. Dat patroon heeft zich keer op keer herhaald.”

Zoiets heb je niet zelf in de hand.

“Meer dan je denkt. Pas als je je radar aan hebt staan, zie je de kansen. Op zo’n moment moet je er serieus op ingaan.”

De SER onderzoekt hoe keuzes tot stand komen. Wat valt daaruit te leren?

“We kijken naar studenten met allochtone ouders in relatie tot de ambachtseconomie. Het is fascinerend hoe keuzes gemaakt worden. Vaak blijken ze door ouders ingegeven, op basis van verouderde informatie. Er moet een gesprek gaan plaatsvinden over baankansen. Dat gebeurt te weinig. Natuurlijk moeten we de vrijheid van studiekeuze behouden, maar vaak is de motivatie zo diep als een surfplank.”

Hoe kijkt u naar de studenten van nu?

“Van alle Europese studenten gaan de Nederlandse het minst naar het buitenland. Dat past totaal niet bij ons als handelsland. Vraag je ze waarom ze dat niet doen, dan blijkt dat ze hier erg comfortabel zitten. Ze moeten de wereld in. Mijn oudste zoon is net begonnen met een hbo opleiding werktuigbouwkunde. Ik vind dat hij naar het buitenland moet. We kunnen onze welstand alleen houden als we een extreem open economie blijven.”

De SER kan de komende jaren meedenken over grote thema’s zoals de hervorming van de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de zorg en duurzaamheid. U komt op een goed moment.

“Ik zie veel kansen. We hebben een kabinet dat ons opzoekt, de vakbeweging zit weer aan de overlegtafel. We moeten er maximaal aan trekken; het is dankbaar werk. Het grote energie-akkoord waar we aan werken, biedt een vers perspectief op een breed gedragen plan voor een duurzaam Nederland. Of kijk naar de arbeidsmarkt. Hoe richten we die zo in dat die beter werkt? Dat moet over meer gaan dan alleen het ontslagrecht. We moeten verkennen hoe we mensen prikkels kunnen geven, zonder hun gevoel van zekerheid te ondermijnen. Al speelt dat minder bij jongere generaties. Die varen veel meer op hun eigen kompas en weten dat een vast contract voor het leven niet voor de toekomst is. Ook werken we aan een zorgadvies, dat gaat over preventie, werken in de zorg en verbeteringsprikkels. Meer kan ik er helaas nog niet over zeggen, want het overleg loopt nog.” Zo gaat dat in de polder.

http://www.ser.nl/nl/actueel/wiebe-draijer-over.aspx

zondag, april 14, 2013

RMC

Verslag van Serious New Learning – Editie Onderwijs

RMC organiseerde op 7 maart een succesvol seminar voor decisionmakers in het onderwijs, serious game en e-learning ontwikkelaars. Het was een programma vol serious gaming en e-learning oplossingen en discussies. Ook werd tijdens het seminar de magazine-uitgave ‘Serious New Learning: Rotterdam’ gepresenteerd aan wethouder Karakus.
In het onderwijs van tegenwoordig rijst steeds vaker de vraag hoe om te gaan met de steeds verder ontwikkelende digitalisering. Moet deze zover doorgevoerd worden dat ook de leerlingen – allemaal digital natives – in de toekomst alleen nog maar met digitale leermiddelen werken?

Onder veel belangstelling van de pers werd tijdens Serious New Learning gezocht naar antwoorden op vragen als: Waar ligt de meerwaarde van het gebruik van nieuwe technologieën? Zijn deze technologische leermiddelen vervangend of complementair? En, over, welke investeringen hebben we het? Wie moet daarvoor betalen?
Het seminar werd geopend met een kijkje in de keuken. Een aantal bedrijven had hun product/spel tentoongesteld. Daardoor konden de deelnemers tijdens het lunchbuffet niet alleen kennis maken met deze bedrijven, maar ook het product uitproberen.

Uitreiking Magazine aan wethouder Karakus

Vervolgens werd het magazine ‘Serious New Learning: Rotterdam’ gelanceerd. Met deze uitgave wil RMC het (internationale) bedrijfsleven en instellingen informeren over de mogelijkheden van e-learning toepassingen, serious en applied games en gamification door organisaties uit (de omgeving van) Rotterdam. Voorzitter van de Rotterdam Media Commission, Fadime Örgü, nam het woord en vertelde dat Rotterdam een voorloper is, met 40 bedrijven in de regio die zich bezighouden met e-learning en serious gaming. Örgü overhandigde het eerste exemplaar van ‘Serious New Learning: Rotterdam’ aan Wethouder Karakus (Stedelijke Economie). Lees het magazine hier in het Nederlands of Engels!
“Bouwen wonen en vastgoed. Wat heeft dat met serious gaming te maken? Toevallig ga ik daar ook over”, aldus Wethouder Karakus, die aangaf altijd erg geïnteresseerd te zijn geweest in serious games en e-learning. Hij is dan ook erg blij met de RMC, die deze sector een boost wil geven. Karakus dankte iedereen dat hij was uitgenodigd. Dit zal leiden tot meer inhoud en een groter netwerk.

Kracht van educatieve spellen

Het inhoudelijke programma over de rol van serious games en e-learning toepassingen in het onderwijs van nu en in de toekomst begon met twee case study’s. Allereerst was het de beurt aan Kees Meershoek van BeInvolved. Meershoek vertelde over ‘de kracht van educatieve spellen in het onderwijs’. BeInvolved maakt, wellicht verrassend, alleen analoge spellen. Deze spellen worden gemaakt voor de les economie in het voortgezet onderwijs, waar 1 op de 6 scholen nu al gebruik van maakt. Het geheim volgens Meershoek? ‘Leren door te doen’ is het belangrijkste. Daarbij leren de leerlingen veel van elkaar doordat ze in kleine groepjes samen spelen en ten slotte heeft de docent zijn handen vrij om de zwakkere leerlingen te helpen.
De tweede case study was ‘Juf-in-a-Box’ van Ranj Serious Games door Bart van de Garde. Van de Garde gaf aan dat 1 op de 4 kinderen moeite heeft met schrijven en dat vele kinderen die bij de fysiotherapie lopen er vanwege schrijfproblemen terecht zijn gekomen. Met het spel ‘Juf-in-a-Box’ oefenen kinderen op een speelse manier de schrijfvaardigheid. Ook gaf van de Garde een mooi voorbeeld van sterspeler Sem, die een hand mist. Daardoor kreeg hij veel problemen met zijn andere hand. Door Juf-in-a-Box is zijn negatieve associatie met schrijven weggehaald.

Serious games voor het onderwijs en trainingen

Na deze twee voorbeelden was het de beurt aan keynote spreker Mark Overmars, hoogleraar Informatica aan de Universiteit Utrecht. Hij gaf vele redenen aan waarom serious games goed kunnen werken in het onderwijs. Een aantal punten zijn: motivatie, feedback, adaptiviteit en het ‘altijd en overal’ kunnen spelen. Ook kunnen games de docent of andere opleider gedetailleerde analyses geven van het gedrag en de vooruitgang van de speler. Een simpel antwoord gaf hij op de vraag waarom games nu nog niet of nauwelijks gebruikt wordt: Hoge kosten.
De derde case study was ‘Blended taaltraining’ van ITpreneurs, door Andrew Alihusain. ITpreneurs levert wereldwijd e-learning trainingen. In 2003 kwamen zij toevallig in aanraking met een wethouder, met wie ze het probleem ‘inburgering’ bespraken. ITpreneurs ontwikkelde een e-learning programma voor inburgeraars. Daarnaast maken ze ook vele programma’s voor andere soorten onderwijs: anderstaligen, arbeidsmigranten, voortijdig schoolverlaters etc. Volgens hen wordt de docent niet vervangen door e-learning programma’s; deze kunnen hem / haar juist ondersteunen.
De vierde en laatste case study was ‘Super Spy School’ door Andries van Vugt van Organiq New Media. In een filmpje van 10 minuten gaf hij ons een kijkje achter de schermen. Hij liet zien hoe zij het spel ‘super spy school’ hebben ontwikkeld. Het spel is gemaakt voor de LOI, om kinderen blind te leren typen. Kinderen blijken het nu minder saai te vinden om deze cursus te volgen. Ook houden veel meer kinderen de 5 maanden durende cursus nu ook 5 maanden vol.

Durven nemen van risico’s

Het seminar werd afgesloten met een paneldiscussie over de (toekomstige) rol van serious games en e-learning in het onderwijs. Kees Meershoek en Andrew Alihusain namen hieraan deel. Daarnaast schoven Rob van der Graaf (locatiedirecteur van de Laurens Cupertinoschool) en Arnold Koot (locatiedirecteur van ‘Tweetalig Wolfert’) aan.
Uit deze paneldiscussie kwam onder meer naar voren dat de serious games en e-learning toepassingen nog niet aansluiten bij de toetsen en kennistoetsen, omdat deze toetsen niet door de school zelf samengesteld worden.
Een ander probleem dat serious games en e-learning in het onderwijs tegenhoudt zijn de hoge kosten. Hierop werd aangegeven dat de scholen risico’s moeten willen nemen. Te veel scholen durven het niet. Rob van der Graaf, die op zijn school volgend jaar de laptop gaat introduceren in de brugklassen vindt dat de scholen inderdaad meer risico’s moeten nemen en geeft als tip om de ouders hierbij zoveel mogelijk bij te betrekken, want die moeten het ook willen.

‘Out of the box’

Tenslotte moeten ook de docenten openstaan voor het nemen van risico’s. Doordat de overheid zich vaak terugtrekt op dit gebied, durven docenten dat vaak niet aan en vallen terug op het ‘oude vertrouwde’.
De RMC hoopt dat met het bij elkaar brengen van opleiders en serious gaming experts tijdens Serious New Learning een begin is gemaakt aan het openstaan voor ‘out of the box’ denken.

http://www.rmcrotterdam.nl

Paul Bessems

Het werken in bedrijven is voor de informatiewerker aan het einde van zijn bestaan gekomen. Verandermanagement werkt niet: het is een lapmiddel, aldus Paul Bessems, auteur en adviseur. Het antwoord op de crisissen die elkaar steeds sneller opvolgen en langer duren? Verbeter de productiviteit van de informatiewerker en organiseer werk in communities en gedeelde informatienetwerken.
Interview door Guido van de Wiel

Wat is de kernboodschap die je de wereld wilt laten weten?

‘We zijn aan het begin van de 21e eeuw in een welvaartcrisis gekomen. Het systeem waarmee we onze welvaart hebben geproduceerd, is niet duurzaam, niet langer houdbaar en is ook niet meer te repareren. Omdat werk en de manier waarop we ons werk organiseren, sterk bepalend is voor onze welvaart, richt ik me primair op het opnieuw organiseren van ons werk. Niet via verbouw, maar via nieuwbouw. Dit doe ik via een nieuw organisatiemodel, Weconomics. Hierin staat het opnieuw en duurzaam organiseren van werk en welvaart met behulp van communities en gedeelde informatienetwerken centraal. Kern is om werkorganisaties fundamenteel en werkelijk opnieuw op te bouwen vanuit de kleinste bouwstenen: mens en middel.’

Leg eens verder uit.

‘Onze welvaartmachine hapert steeds vaker en langer. Wie de recessies gaat analyseren ziet dat ze elkaar steeds sneller opvolgen en dat ze ook langer duren. Historisch gezien was de hersteltijd na een recessie zes maanden. Na de Golfoorlog (1990-1991) duurde het herstel al vijftien maanden, na de internet bubble van 2001 duurde het herstel 39 maanden en na de kredietcrisis van 2008 duurde het herstel zestig maanden. Inmiddels is er sprake van een zogenaamde triple dip in vier jaar tijd. Het geeft aan dat de fundamenten waarop onze welvaartsmachine gebouwd is, vervangen moeten worden.’

Wat zijn die fundamenten dan?

‘De welvaartmachine is gebaseerd op drie pijlers. Ten eerste hebben we voor het organiseren en automatiseren van werk het bedrijf steeds als eenheid van denken genomen. De meeste boeken, de meeste managementconcepten op het gebied van hr en leiderschap doen dat. Je geeft leiding in een bedrijf, je organiseert in een bedrijf. Dat heeft heel veel voordelen gehad, maar ook heel veel nadelen.

Welke nadelen?

Organisaties zijn veelal een object geworden waarmee we de winst willen maximaliseren voor de aandeelhouders en het risico voor de bestuurder willen minimaliseren. Binnen organisaties draait het steeds minder om het produceren van goederen en steeds meer om het verwerken van gegevens tot informatie. Dit kunnen we veel beter anders organiseren. De tweede pijler van onze welvaartmachine is het managementkapitalisme. Ontstaan rond 1900: denk aan Taylor, arbeidsanalyse, Ford en het paradigma van de lopende band. We hebben consumptie nodig om de lopende band te laten draaien. We proberen iedereen op dezelfde manier te laten werken. Zo bant een managementkapitalist de uniciteit van elk mens uit in het productieproces. Tot op de dag van vandaag gebeurt dat nog steeds, ook al hebben we dat niet altijd in de gaten.’

Noem eens een voorbeeld.

‘Zoekmachines proberen jou bijvoorbeeld in een keurslijf te brengen. Je koopgedrag is, vaker dan je denkt, niet gebaseerd op vrije keuze. Je wordt min of meer door je omgeving gedwongen om bepaalde producten te kopen. Nog steeds is onze welvaartmachine erop gericht om de wispelturige mens - of dat nou een medewerker is of een burger of een consument – in een profiel te vangen.’

En de derde pijler van onze welvaartmachine?

‘Dat is de meest recente: het financieel kapitalisme. In dat systeem leven we momenteel. De grafiek in figuur 1 geeft aan wat de totale schuld is ten opzichte van het Bruto Binnenlands Product. Bij de grote recessie van de jaren ‘30 was dat ongeveer 250 procent. Momenteel zitten we op een schuld van 400 procent. Dat is een signaal dat een zeepbel op knappen staat. Economen, zoals Dirk Bezemer uit Groningen, hebben al voor 2008 gewaarschuwd dat deze schuldposities niet verder kunnen oplopen zonder gevolgen. Even voor het beeld: een schuld van ongeveer 100 procent is normaal.’

Tot welke conclusie kom je, kijkend naar die drie pijlers?

‘De machine waarmee we onze welvaart produceren is aan vervanging toe. Vanwege deze drie pijlers heeft reparatie geen zin. Dat proberen we wel, bijvoorbeeld door allerlei managementconcepten te introduceren. We weten dat productiviteitsgroei de belangrijkste bijdrage levert aan onze welvaart. Dus we proberen productiever te worden, maar toch lukt ons dat niet echt. Bijna alle beroepen en functies hebben te maken met het verwerken van informatie. Denk aan: informatie delen, opslaan, zoeken, communiceren, overleg, vergaderen, ‘verkooppraatjes’ en transacties uitvoeren. Meer dan de helft van de werkenden in Nederland is meer dan de helft van de tijd bezig met het verwerken van informatie.’

Wat is daar mis mee?

‘Hun productiviteit. De landbouwer en fabrieksarbeider zijn meer dan vijftig keer productiever geworden. De productiviteit van de informatieverwerker is echter sinds 1965 nauwelijks verdubbeld. We lijken wel druk te zijn met van alles, maar vaak gaat het om productie van consumptie.’

Productie van consumptie, wat versta je daar onder?

‘We hebben heel veel werk gecreëerd waarvan we ons moeten afvragen hoe zinvol dat is. Neem als voorbeeld een spijkerbroek. De spijkerbroek maken kost 10 euro. In de winkel ligt deze zelfde spijkerbroek voor 100 euro. Die 90 procent is de productie van consumptie en bestaat uit adverteerders, reclamebureaus, internetbedrijven, search engine optimization en belastingen. Allerlei mensen die zich bezighouden met de verkoop en distributie van die spijkerbroek.

Inclusief consultants?

‘Ook consultants behoren in de meeste gevallen tot productie van consumptie: zij houden zaken in organisaties onnodig complex, want dat is in hun belang. De vraag is in hoeverre die 90 procent bijdraagt aan de functie van de spijkerbroek en onze welvaart. Probleem is namelijk dat onze productiviteit er niet door stijgt. ‘Automatisering, social media, het nieuwe werken, cloud computing maar ook allerlei managementconcepten en opleidingen, hebben ons de afgelopen decennia nauwelijks productiever gemaakt. We organiseren het werk van de informatieverwerker met het verkeerde instrument.’

Wat moet er gebeuren?

‘We zullen werk en welvaart opnieuw moeten organiseren om tot een duurzame welvaart te komen. Door bijvoorbeeld vergrijzing en stijgende zorgkosten, zullen we veel productiever moeten worden, om onze welvaart te behouden. Dat lukt niet met de huidige manier van organiseren. We vinden het nog te vanzelfsprekend dat we voor werk naar een bedrijf gaan, voor geld naar een bank en voor zorg naar de overheid. We zullen eerst deze vanzelfsprekendheden moeten loslaten. We zullen in de toekomst ons werk niet langer binnen de belemmerende muren van bedrijven organiseren, maar binnen gedeelde informatienetwerken. Weconomics neemt het bedrijf niet langer als eenheid van denken, maar stelt organiserend vermogen centraal.’

Noem eens een voorbeeld van ‘organiserend vermogen’?

‘Wikipedia is een aansprekend voorbeeld. Als dat bedrijf zichzelf enkel als productiebedrijf zou definiëren, zou het nooit tot de miljoenen artikelen kunnen komen die ze nu op hun platform hebben staan. Inmiddels hebben honderdduizenden mensen bijgedragen aan Wikipedia, terwijl ze geen onderdeel uitmaken van het formele bedrijf. Het is diffuus wie er producent is en wie consument. Indien nodig worden ze gefinancierd door crowdfunding.’

Dus organisaties moeten veranderen?

‘Nee, het heeft niet zoveel zin bestaande instituten te veranderen. Dat is meestal toch gedoemd te mislukken of het is uitstel van executie. Traditionele organisaties proberen via verandermanagement te blijven voldoen aan productie-eisen en winst maken. Het patroon is vrijwel altijd hetzelfde: maak eerst een swot-analyse, maak daarna een strategisch plan, ga vervolgens de structuur aanpassen en ga daarna de organisatie en de mensen veranderen. Bestaande managementliteratuur stelt echter bijna nooit het bedrijf als organisatievorm ter discussie. Weconomics doet dit wel. Weconomics bouwt een nieuw huis op basis van nieuwe fundamenten.’

Wat zijn die nieuwe fundamenten dan? Waar kiest een bedrijf voor als het over gaat op Weconomics?

‘Belangrijke doelstellingen die we met Weconomics willen behalen zijn: het verbeteren van de productiviteit en het vergroten van de flexibiliteit en het innoverend vermogen. Belangrijke uitgangspunten bij Weconomics zijn: decentraal bepalen en betalen, centraal organiseren, inkopen, afhandelen, evalueren en registreren. Communicatie, logistiek, en informatie delen kan beter uitgevoerd worden met een gedeeld informatienetwerk, waar ook de omgeving en andere organisaties op zijn aangesloten. Eerst aandacht voor organiseren, dan pas automatiseren en communiceren. Slechte communicatie en automatisering vinden meestal hun oorsprong in een slechte organisatie.’

Kun je een voorbeeld noemen van een werkende Weconomics-omgeving?

‘Neem bijvoorbeeld de IBLC community. Dat is een gedeeld informatienetwerk tussen bestaande organisaties. Je zou dat als een hybride vorm van bestaand en nieuw organiseren kunnen zien. IBLC is een community voor de opleidingsmarkt, waarin aanbieders, afnemers en intermediairs van opleidingen slimmer met elkaar samenwerken. Belangrijke partijen die hier in een gedeeld informatienetwerk opereren zijn onder meer Deltalloyd, NXP, Prorail en Schouten & Nelissen. Afnemers zien op deze community in één oogopslag waar, wanneer en bij wie zij hun opleiding willen volgen, inkoopafdelingen kunnen hun eigen catalogus samenstellen en opleiders hoeven nog maar op één plaats hun (cursus)informatie te onderhouden. Binnen de communitysoftware is rekening gehouden met het totale proces: van het onderhouden van de content tot en met de registraties in het e-portfolio.’

Hoe ziet dat er nu uit in de praktijk?

‘De community zorgt ervoor dat de werkzaamheden van verschillende mensen samenkomen in één systeem. De medewerker van bedrijf X meldt zich aan, de manager fiatteert, de back office verifieert, de docent levert het materiaal aan en een virtuele administratiemedewerker zorgt automatisch voor bevestigingspapieren, de juiste routebeschrijving en de facturering. Al deze mensen zijn verbonden aan verschillende bedrijven en vestigingen, maar werken toch samen in hetzelfde softwaresysteem. Communitysoftware gaat dwars door de muren van bedrijven heen.’

Je bent nu ingegaan op de technische kant van community-management. Hoe verandert het vakgebied hr & change binnen het denken van Weconomics?

‘Allereerst: de term human resources (hr) wordt binnen Weconomics zoveel mogelijk vermeden of vervangen door de term mens & organisatie (m&o). Mensen zijn geen middelen en omgekeerd. Aan een mens kunnen wel middelen gekoppeld worden (taken, projecten, opleidingen, organisaties, computers). De term mens & organisatie is beter omdat de hr-functionaris zich niet zozeer bezig moet houden met het managen van mensen, maar met de relatie tussen mens en organisatie of de relatie tussen bijvoorbeeld mens en taak.’

Is HR in het denken volgens Weconomics nog wel een afdeling?

M&O, het HR-domein in Weconomics, blijft wel een domein dat aandacht zal blijven vragen. Het is inderdaad geen ouderwetse afdeling meer, omdat de organisatie als eenheid van denken is losgelaten. Weconomics maakt bijvoorbeeld geen onderscheid meer tussen interne en externe werving en selecties. Ook intern en extern opleiden is geen relevante indeling meer.’

Hoe en met wie werkt de hr-professional dan nog samen in het realiseren van organisatiedoelen?

‘Voor maatwerkinstrumenten, die af en toe ingekocht of georganiseerd worden, zet m&o onafhankelijke specialisten in. Deze zijn relatief goedkoper, sneller en vaak beter. Afhankelijke adviseurs of intermediairs hebben vaak een belang bij de keuze van een bepaalde leverancier. Cruciaal in het domein van m&o is om in de juiste verhouding aandacht te geven aan de inhoud van instrumenten – bijvoorbeeld het leermateriaal – en aan de organisatie eromheen (logistiek, informatievoorziening, communicatie en coördinatie). De inhoud kan niet zonder een goede logistiek en logistiek zonder inhoud heeft eveneens geen zin. Bovenal weet men in het mens&organisatie-domein dat gebruikers behoefte hebben aan een eenvoudig systeem.’

Hoe kan een bedrijf overgaan op Weconomics?

‘We hevelen bestaande processen over van het bedrijf naar communities. Vanuit Weconomics bouwen we daarbij nieuwe werkorganisaties, communities en gedeelde informatienetwerken op, vanuit de kleinste bouwstenen: mens en middel. De reden dat het concept succesvol is, is dat bestaande organisaties niet veranderd hoeven te worden. Veranderen is moeilijk. Vernieuwen is leuk. In een nieuw huis gaan wonen waar alles het goed doet, alles schoon is en voldoet aan de laatste wensen en eisen is leuk. Zo zullen nieuwe organiseervormen ontstaan, doordat we bestaande processen overhevelen naar communities en gedeelde informatienetwerken.’

door Guido van de Wiel

Guido van de Wiel is organisatiepsycholoog en directeur/eigenaar van organisatieadviesbureau Wheel Productions. Hij houdt zich ondermeer bezig met storytelling in organisaties. Altijd al een boek willen schrijven? Voor professionals die niet de tijd of de capaciteit hebben, schrijft Guido van de Wiel als ghostwriter ‘managementboeken op maat’.

Paul Bessems

Paul Bessems is schrijver, spreker en strategisch organisatie-adviseur. Hij studeerde bedrijfskunde aan de Technische Universiteit Eindhoven. Na zijn loopbaan als zelfstandig adviseur heeft hij zich gespecialiseerd in Weconomics. Weconomics is een model, een infrastructuur én een programma om gedeelde informatienetwerken op te zetten en bestaande processen uit klassieke organisaties over te hevelen naar deze nieuwe netwerken. Hij schreef hierover boeken als ‘Elke dag als de zon opkomt’ en deel 1 van de Tetralogie-serie van 1.300 pagina’s, het boek: ‘Weconomics - Hoe overleef je als informatiewerker de 21e eeuw?’.
In de Weconomics Tetralogie geeft Bessems een brede en diepe analyse en biedt hij een oplossing voor duurzaam nieuw organiseren van werk en welvaart in de 21e eeuw. Hij beantwoordt de vraag waarom we in een welvaartscrisis zitten en hoe we daar structureel uitkomen. Verder geeft Bessems lezingen, trainingen, workshops op het gebied van Weconomics en adviseert hij bedrijven en instellingen die communities willen opzetten en slimmer willen samenwerken in gedeelde informatienetwerken. Ontwikkeling en verspreiding van het gedachtengoed doet hij onder meer via de door hem opgerichte Weconomics Foundation.

Website: http://www.prodis.nl

vrijdag, april 12, 2013

Startbijeenkomst Toptechniek in bedrijf Rijnmond

Voor de startbijeenkomst 7 maart 2013 sloten experts van het Platform Bèta Techniek aan bij de reguliere vergadering van de werkgroep Programmalijn 1 Toptechniek in bedrijf. In deze werkgroep participeren (directeuren van) alle deelnemende vmbo- en mbo-instellingen, de gemeente Rotterdam, KMR en de Koninklijke Metaalunie. Tijdens de bijeenkomst staat het urgentiebesef centraal. Met het oppakken van gezamenlijke trajecten heeft men afgelopen tijd het vertrouwen van elkaar gewonnen. Het besef is er dat men samen de schouders eronder moet zetten om het tij te keren. Men is samen aan de slag om te zorgen voor toename van het aantal techniekleerlingen. Door de scholen wordt samengewerkt op inhoud, hierbij worden ouders en bedrijven (o.a. via TechNet) betrokken. Dat er meer perspectief is voor techniek in (v)mbo is evident in de regio. De huidige crisis helpt mee om leerlingen en hun ouders te laten kiezen voor studies en opleidingen met beroepsperspectief, zoals in de techniek. De ambitie in de regio is goed gespreid techniek- en technologie-onderwijs aanbieden in de volle breedte van het voortgezet onderwijs. Extra aandacht wordt daarbij besteed aan meisjes en allochtonen.

Een mooi voorbeeld van de uitwerking van de gezamenlijke aanpak, is dat onlangs collectief met een gemeenschappelijke boodschap een bezoek gebracht is aan een moskee. Voorheen zou dit een meer individueel traject van de scholen zijn geweest.

De volgende trajecten moeten de komende tijd leiden tot het realiseren van de prestatieafspraken:
- Schoolportfolio (als basis voor ontwikkelen doorlopende leerlijnen en opmaat voor macro-doelmatigheidsdiscussie)
- Werving/voorlichting (start in het basisonderwijs en vervolgens op ieder keuzemoment voor leerlingen, waarbij ook ouders en bedrijven worden betrokken)
- Professionalisering (nog beter techniekonderwijs en daarvoor docenten en onderwijsleiders meer en specifieker scholen, waarbij wordt aangesloten bij ontwikkelingen op de regionale arbeidsmarkt)
Mooie trajecten, waarbij de experts aanbevelen de bijdrage van de partners aan het realiseren van de prestatieafspraken vast te leggen, en zorg te dragen voor het inrichten van een stuurgroep die hierop kan sturen.

Zie http://www.toptechniekinbedrijf.nl

This is the first day of the rest of your life