maandag, juni 24, 2013

Besluiteloze jeugd vindt droom

AMSTERDAM -
In een oud schoolgebouw in de Amsterdamse Bos en Lommer staan twaalf jongeren met hun rug tegen de muur. „Reik nu zo hoog je kunt!” zegt coach Anna Grebel. De jongeren schieten het lokaal in op zoek naar tafels, stoelen en andere attributen om zichzelf mee te verlengen. Dit is de Breekdag, een nieuwe manier om jezelf, je dromen en je kwaliteiten te ontdekken.

Wie tien jaar geleden zijn middelbare schooldiploma haalde, maar niet wist wat te studeren, ging een jaar naar Australië. „Dat helpt wel, maar lang niet met alles”, zeggen de initiatiefnemers van Breekjaar. Jongeren die nu met hun studiekeuze in de knoop zitten, kunnen in eigen land een jaar lang betekenisvol werk doen en tegelijkertijd zichzelf ontdekken. Voor wie deelname aan zo’n Breekjaar overweegt, is er deze zomer een aantal Breekdagen.

Onderwijsadviseur Dolf Hautvast is medeoprichter van Breekjaar en loopt vandaag mee als coach. en met de jongeren praten„De havo’s en vwo’s zijn verantwoordelijk voor de lessen en de examens, de hbo’s en universiteiten voor de voorlichting. Niemand is verantwoordelijk voor de goede aansluiting. Jaarlijks beginnen 40.000 jongeren met de verkeerde opleiding. Er is geen enkele organisatie die daarop kan worden aangesproken.”

Om een foute match te voorkomen, doen scholieren nu een hele dag oefeningen om zichzelf beter te leren kennen. Zo moeten ze zich zo lang mogelijk maken, en elkaar elkaar interviewen over dingen waarvan ze in een flow komen. „Als een lampje dat aangaat, dat je voelt dat alles stroomt”, legt coach Anke van Donkersgoed uit. Al snel gaat het in verschillende groepjes over kiezen. „Ik kan echt niet zo goed kiezen”, beweert Sara (18). „Ik ben bang dat ik me, als ik het ene kies, na een paar maanden alweer verveel.”

Yaire (17) heeft hetzelfde: „Als ik een studiekeuzetest maak, zijn alle balkjes even hoog.” „Maar heb je dan al overwogen om in het buitenland iets te gaan doen?” oppert Sara. „Daar is misschien een studie die er met kop en schouders bovenuit steekt.” Yaire schudt haar hoofd: „Als ik die studies in het buitenland ook ga overwegen, kom ik straks om in de keuzes.”

Tijdens de lunch zijn er persoonlijke gesprekken met coaches Mirella Rottier – „Het leven blijft voor iedereen toch een uitdaging” – en Vincent Deinum. Vincent is vitaliteitscoach en werkt graag visueel. Als Marjon (17) bij hem over haar keuzestress komt praten, pakt hij een schriftje en zet een pagina vol met cirkels. „Zet daar nou eens dingen of mensen in die je energie geven.” Marjon vindt haar opa erg belangrijk, ze wil graag voor hem zorgen. „Je denkt veel meer na over dingen waar je anders nooit bij stilstaat”, zegt ze.

Wie niet aan de beurt is voor een persoonlijk gesprek, moet een foto maken die symbool staat voor de Breekdag. Na lang nadenken en rondlopen heeft Gijs (19) ook iets gevonden: een schommelstoel. Als zijn foto op het grote scherm verschijnt, legt hij uit wat het beeld voor hem betekent: „Ik ben gestopt met mijn studie en mijn gedachten schommelen sindsdien alle kanten op. Ik hoop dat een Breekjaar mijn gedachten stil kan zetten.” Uit de groep klinkt een instemmend gemompel.

http://www.telegraaf.nl/binnenland/21675080/__Besluiteloze_jeugd_vindt_droom__.html

maandag, juni 17, 2013

Big Data voorbeelden

Big data vindt zijn weg naar de stad

In april 2010 kwamen bij stortregens, overstromingen en aardverschuivingen 68 inwoners van de Braziliaanse stad Rio de Janeiro om het leven. Burgemeester Eduardo Paes ontdekte op pijnlijke wijze dat het onmogelijk was de activiteiten van overheidsinstanties te coördineren: politie, brandweer, rioleringsdienst, weersvoorspellers en openbaar vervoer werkten langs elkaar heen. Ze konden geen levens redden door tijdig straten en rioleringen af te sluiten of mensen te evacueren.

Maar verbetering kan snel gaan. Een maand na de ramp had burgemeester Paes volgens de New York Times een eerste gesprek met vertegenwoordigers van IBM’s Smarter Cities programma, waaronder Guru Banavar. Banavar stelt dat steden over steeds meer data van sensoren, camera’s en social media beschikken. ‘Je kunt al die data benutten om een stad of een infrastructuur beter en duurzamer te laten functioneren.’

Reeds zes maanden na het eerste gesprek met vertegenwoordigers van IBM verrichtte de burgemeester de officiële opening van het Centro de Operacoes Rio (ROC): een futuristisch ‘smart city’ controlecentrum dat op grote schaal data verzamelt en analyseert en van waaruit 32 overheidsinstanties hun activiteiten coördineren. ‘In de controlekamer van het ROC hebben we een 40 m brede videomuur die bestaat uit tachtig beeldschermen’, vertelt een voorlichter van de stad over de telefoon. ‘De schermen vertonen data van zeshonderd videocamera’s, meerdere weersatellieten, hoge-resolutie radarinstallaties en andere sensoren waarmee we de stad observeren. In het ROC werken vierhonderd mensen die 24 uur per dag informatie binnenkrijgen via e-mails, tweets, videoconferencing en tekstberichten.’

Rio de Janeiro is niet toevallig een interessant voorbeeld en test case voor IBM voor het gebruik van big data in een stedelijke omgeving. De Braziliaanse stad – met een zekere reputatie op het gebied van chaos – is de komende tijd gastheer van de Confederations Cup (2013), het WK voetbal (2014) en de Olympische Spelen (2016): stuk voor stuk grote evenementen die een strakke regie vereisen.

IBM gebruikt in Rio de Janeiro software die op basis van data uit het verleden de toekomst voorspelt, zoals een programma dat met weersvoorspellingen en hydrologische data 48 uur vantevoren stortregens en overstromingen met een zekerheid van 80 % kan voorspellen. Dergelijke software heeft IBM ook gebruikt in New York’s Real Time Crime Center, een controlecentrum dat beschikt over een immense database (met onder andere de nummerborden van alle auto’s die New York binnenkomen, arrestatierapporten, en tatoeages van misdadigers) en waar alle rapportages van misdrijven in real time binnenkomen. Medewerkers van politie kunnen aan de hand van de software trends in de criminaliteit analyseren en voorspellen waar en wanneer misdrijven zullen plaatsvinden alsof het regenbuien zijn.

Rio heeft met zijn ROC waarschijnlijk het meest geavanceerde smart city controle¬centrum van de wereld. Toch is Rio niet echt een slimme stad. Op 18 mei zorgden zware regens in Rio opnieuw voor verkeerschaos, blackouts en een negen uur durende sluiting van het vliegveld. Gestrande passagiers demonstreerden met een boodschap aan president Dilma Roussef: ‘Dilma, stel je voor dat dit gebeurt tijdens het WK voetbal.’ Het is duidelijk dat Rio niet kan leunen op het ROC als een medicijn voor infrastructurele problemen. Verstopte kanalen, dichtgeslibde rivieren, defecte rioleringen, gebrekkige drainage en krottenbouw worden nu eenmaal niet verholpen met software.

‘Het lijkt alsof in de smart city filosofie ieder probleem kan worden opgelost met de simpele vergelijking “techniek plus innovatie is duurzaamheid”’, zegt Rob Kitchin. Deze geograaf van de National University of Ireland meent dat de smart city filosofie de indruk wekt dat er voor ieder stedelijk probleem een ict-oplossing is. Dat is natuurlijk niet zo, zegt hij. ‘Armoede, slecht onderwijs en sociale ongelijkheid moeten worden opgelost in de politiek, niet in een computer.’ Zo kun je het ROC in Rio de Janeiro zien als een stel slimme hersens op een lichaam met grote gebreken.

Hoe anders is dat in de Zuid-Koreaanse stad Songdo, die binnen een tijdsbestek van een paar jaar uit de grond wordt gestampt. In 2018 zullen de 65.000 bewoners van deze stad niet alleen beschikken over een splinternieuw beheercentrum van Cisco Systems, maar ook over een even imposante infrastructuur van nieuwe gebouwen, wegen, kantoren, scholen en voorzieningen die zijn ontworpen met het smart city-concept als uitgangspunt.
‘Wij bouwen in Songdo een stad die draait op informatie en waarbij de controlekamer de hersenen zijn’, zegt Cisco’s ceo John Chambers. Wanneer camera’s laten zien dat een straat leeg is, dan kan de verlichting daar vanuit de controlekamer worden gedempt. En dankzij RFID-lezers langs de wegen kan de controlekamer altijd zien waar alle auto’s zijn en waar de vrije parkeerplaatsen.

Natuurlijk is privacy een heikel punt. De slimme stad levert een blauwdruk voor een ‘slimme dictatuur’ met een overheid die door het beheer van big data beschikt over enorm veel informatie over haar inwoners. ‘Er wordt veel gepraat over de voordelen van smart cities, maar onvoldoende over de risico’s’, stelt Anthony Townsend, een stedenbouwkundig planner van de New York University. Townsend wijst er in een boek – dat binnenkort verschijnt – op dat steden door smart city technologie steeds afhankelijker worden van bedrijven als IBM en Cisco. Hoe meer steden afhankelijk zijn van software, des te meer hevelen ze taken van de gemeenschap over naar particuliere handen.

De BBC vroeg recentelijk aan Wim Elfering of de privacy in Songdo niet in het geding is. Elferink, Cisco’s chief globalisation officer en een van de digitale architecten van Songdo, meent dat niemand zich daar zorgen over hoeft te maken. Het tegengif voor big brother heet open data, meent hij. Open data is het concept waarin de overheid ook de burgers toegang geeft tot die data, bijvoorbeeld via zelf te ontwikkelen apps.

Het Amerikaanse marktonderzoeksbureau Navigant Research voorspelt dat de wereldwijde markt voor smart city technologieën in 2020 een omzet zal bereiken van twintig miljard dollar. Negatieve effecten of uitdagingen voor de privacy ziet het bureau nauwelijks: Navigant definieert smart city programma’s als projecten waarin ict wordt toegepast om duurzaamheid, welzijn van de burgers en welvaart te bevorderen.

Teake Zuidema

Facts over Nederland

https://twitter.com/TheFactClub

Mening van Klaas Mulder

‘Zelfbeheer is zinloze tijdbesteding’

Klaas Mulder wil niet meer naar bijeenkomsten over buurthuizen in zelfbeheer. Liever ziet hij meer ruimte voor burgerkracht in zorg en onderwijs en meer aandacht voor drie grote maatschappelijke vraagstukken.

Buurthuizen in zelfbeheer, een zinvolle tijdbesteding?

Ik word zeer regelmatig uitgenodigd als spreker en workshopleider op congressen over ‘de doe-het-zelf’-samenleving. De organisatoren hebben mijn kritische bijdragen op discussieplatforms als http://www.socialevraagstukken.nl gelezen en menen dat een congres meer diepgang krijgt door ten minste één dwarsdenker te laten spreken. Eerst ging ik daar nog wel eens op in, maar meestal sla ik zulke uitnodigingen af.

Participatieparasieten

Ik weet best dat het allemaal goed bedoeld is, maar ik krijg er een ongemakkelijk gevoel van, de hofnar te zijn voor een uitgelezen gezelschap van mensen die allemaal op een of andere manier uit de schatkist betaald worden voor het verhaal dat burgers – die die schatkist gevuld hebben – het allemaal heel goed zelf kunnen organiseren. Ik heb deze groep professionals wel eens de participatieparasieten genoemd: vrijgesteld van productieve arbeid liften ze mee met de laatste strohalm die nog niet gezonken is in de stroom van bezuinigingen in het welzijnswerk en het wijkgericht werken. Niet dat die mensen niet gedreven worden door idealen; in tegendeel, uit de frequentie waarmee Mao’s uitspraak over vissen en hengels wordt geciteerd mogen we afleiden dat dit overwegend uit vijftig-plussers bestaande gezelschap hoog verheven idealen over de nieuwe wereldorde heeft. Dat blijkt overigens niet altijd uit de onevenwichtige en tendentieuze manier waarop het heden en verleden van het welzijnswerk wordt afgeserveerd. Zelfs de initiator van de Canon Sociaal Werk, die toch erg goed op de hoogte is van het verleden van de sector, illustreert de behoefte aan meer Burgerkracht met incidenten uit het verleden (‘het hospitaliseren van burgerinitiatieven’) die worden gepresenteerd als ‘de gebruikelijke gang van zaken’. Beleidsmakers en adviseurs mogen graag doen alsof de burger tot nu toe in een soort luilekkerland leefde waar een vingerknip voldoende was om een legertje welzijnswerkers in beweging te brengen om bingo’s en buurtbarbecues te organiseren. Terwijl in de meeste Nederlandse buurten niet meer dan een uur of vier per week een opbouwwerker werd ingezet, en sociaal cultureel werkers zich vooral moesten toeleggen op dingen waar de buurt niet om vroeg (maar de wethouder wel) doen we nu graag alsof de welzijnsmaffia van elk buurthuis “Hotel Stoot je Hoofd Niet” had gemaakt.

Regie geven aan de burger

De voorstanders van meer zelforganisatie zullen best nobele motieven hebben: de burger weer zelf de regie geven over hun voorzieningen. Het is een beetje ongelukkig dat dit gilde het als een overwinning van de arbeidersklasse viert dat honderden laagbetaalde beheerders van buurt- en wijkhuizen in de bijstand raken omdat ijverig facturen sturende adviseurs, kwartiermakers en makelaars roepen dat de buurt prima zelf in staat is om het welzijnswerk te organiseren. Het blijft een beetje vreemd dat de Staat, die geworteld is in de wens van burgers om collectieve belangen collectief professioneel te behartigen, zichzelf steeds meer tegenover de gemeenschap zet door de burger als een klaploper weg te zetten die best zelf eens de handen uit de mouwen mag steken. Het is zorgelijk dat de vertegenwoordigers van die Staat niet doorhebben, dat de combinatie van lastenverzwaring en dienstenverschraling de kiezer uiteindelijk in de armen drijft van populistische partijen die het ongenoegen electoraal gebruiken - maar er vervolgens ook geen antwoord op hebben. En het is vreemd, dat diezelfde Staat zware accreditatietrajecten oplegt aan HBO-instellingen die sociale professionals opleiden, en vervolgens op elke straathoek uitvent dat het runnen van een effectieve buurtvoorziening prima overgelaten kan worden aan de eerste de beste amateur.

Constructief oplossen

Dat is allemaal vreemd en ongelukkig. Het leidt ertoe dat ik met buikpijn en koorts naar huis ga na elke bijeenkomst waar ministeries, kenniscentra, gemeenten of belangenorganisaties mij naartoe hebben gelokt.
Dus ga ik liever niet meer. Maar dat lost ook niet zoveel op. Ik draag liever constructief bij aan een oplossing waar Nederland iets aan heeft. En het is zeer de vraag, of het zelfbeheer van buurthuizen überhaupt wel iets oplost. Misschien is het zonde van de tijd.

Zonde van de tijd van buurtbewoners

Het is zonde van de tijd als mensen, die zich voorheen graag inzetten voor het organiseren van activiteiten voor buurtbewoners, ineens opgezadeld worden met alle taken van een gebouwenbeheerder. Dit is des te meer jammer, omdat er in Nederland veel te veel gebouwen staan. Je ziet het in Amersfoort, waar het college het sluiten van buurthuizen – maar niet het opheffen van buurtwerk – als een manier zag om de enorme desinvestering in vierkante meters terug te dringen. Nu zijn goede betrokken buurtbewoners tientallen uren per week bezig overbodige meters verhuurd te krijgen, terwijl honderden meters verderop de zaal van Boer Piet, de aula van de school en het parochiehuis leeg staan. Het maatschappelijk rendement over hun onbetaalde uren zou vele malen hoger zijn als ze zich bij die informele buurvoorzieningen zouden melden en zich daar bezig zouden houden met activiteiten voor ouderen of kinderen, in plaats van de onbetaalde zalenboer uit te hangen.

Zonde van de tijd van ambtenaren

Het is zonde van de tijd als rijksambtenaren uren maken om in een sector waar toch al zoveel werk door zo weinig mensen werd gedaan, nog net een paar uurtjes extra te bezuinigen op die vier uur opbouwwerk en die 20 uur beheer die nodig zijn om een ‘gewoon’ buurthuis te exploiteren. Aangezien de boventallig geworden professionals de bijstand in gaan, levert het de gemeente netto nauwelijks een euro aan baten op. Als je dan toch meters wilt maken met burgerkracht, doe het dan in het onderwijs of in de zorg. In het buitenland is het volstrekt normaal dat ziekenhuispatiënten aangewezen zijn op het door hun familie bereide voedsel. Daar is zo een paar miljard te scoren, niet de zielige duizendjes die verdiend worden door toch al ernstig onderbemande buurthuizen terug te geven aan de buurtbewoners. En het zelfde geldt in het middelbaar onderwijs. Als we het primaat van de gesubsidieerde docent zouden durven loslaten, en kinderen durfden toe te vertrouwen aan de bezielende lessen van buurtbewoners, ondernemers, ouders en internetaanbieders, dan zou een besparing van tien miljard op onderwijs vergezeld gaan van een verbetering van de leerprestaties van kinderen en een veel betere aansluiting op de arbeidsmarkt. Drie dagen naar school en twee dagen ‘leren van anderen’ levert gelukkiger kinderen en een evenwichtiger samenleving op dan het ophokken van jonge mensen in een systeem dat de aansluiting met het heden al lang is kwijtgeraakt.

Burgerkracht in zorg en onderwijs

Maar misschien ontbreekt de politieke en professionele moed om de idealen van burgerkracht – die ik zeker onderschrijf – te bevechten aan het front van zorg en onderwijs. De weerloosheid van de zachte sector biedt bestuurders de kans om stoer te doen over de eigen verantwoordelijkheid van de burger, maar ver weg te blijven van de eigen verantwoordelijkheid bressen te slaan in de echte bastions van de verzorgingsstaat.

Vergrijzing

Maar misschien is de belangrijkste reden om geen tijd te verspillen aan het congresseren over zelfbeheer wel dat we al onze tijd nodig hebben om over andere vraagstukken op het terrein van wijken en welzijn na te denken. Dat zijn er ten minste drie. De vergrijzing – en de bezuinigingen in het meest weerloze deel van de zorg, de zorg voor demente ouderen – nopen ons ertoe, heel diep te gaan in het verkennen van nieuwe oplossingen voor ouderen waarvoor zelfstandig wonen niet meer gaat maar de weg naar verzorging en verpleging is afgesloten. We moeten heel hard aan de slag met het ontwerp van nieuwe ‘semi-murale’ voorzieningen: geen verpleeghuis, geen kwijnflat, maar iets er tussen in waar een samenspel van professionals, familie, buurtbewoners en stagiaires samen zorgen voor een volwassen levenskwaliteit voor mensen die kinds worden.

Werkloosheid

In de tweede plaats zullen de ministeries die verantwoordelijk zijn voor het welzijn in wijken zich moeten realiseren dat een werkloosheidsgroei van 1.000 mensen per dag enorme repercussies gaat krijgen voor de samenleving. Dit is geen arbeidsmarktvraagstuk, en zelfs geen scholingsvraagstuk, want er zijn 7 keer zoveel werklozen als vacatures. Gemeenten en rijk zijn er niet met 50 miljoen voor jeugdwerkloosheid en 300 miljoen voor ons allemaal, temeer niet omdat de huidige werkloosheid niet vanzelf overgaat ‘als de crisis voorbij is’. Hoge ambtenaren zijn zeer goed op de hoogte van het feit dat de vervangingsprognoses voor de arbeidsmarkt (door pensioenen komen er weer banen) nooit zijn bijgesteld.
Als er 1.000 mensen met pensioen gaan, hebben we niet duizend vacatures, maar een fractie daarvan. Bij gelijkblijvend beleid zal zich een pakkenproletariaat vormen van hoog opgeleide werklozen; of deze groep gaat lager opgeleiden op grote schaal verdringen. Voor alle Nederlandse wijken betekent dit een reële kans op spanningen tussen huishoudens waar de crisis aan voorbij gaat met buren die eerst hun baan verloren en aansluitend stranden in een hopeloze woningmarkt.

Verlorenheid

In de derde plaats zal dit alles keihard doorwerken in de relaties binnen en tussen generaties. Jongeren zullen de ‘you only live later’-boodschap van het onderwijs met steeds meer scepsis beluisteren, en je hoeft geen enorme doemdenker te zijn om er ernstig rekening mee te houden dat de lont waarmee ooit de Franse banlieus en de Engelse voorsteden werden aangestoken ook het kruitvat van onze bloemkoolwijken laat knallen. Naast vergrijzing en werkloosheid is verlorenheid van de volgende generatie de grootste uitdaging voor onze samenleving.

Twijfelen

Als het nu zo was, dat door bewoners beheerde buurthuizen substantieel bijdroegen aan het antwoord op deze vraagstukken, dan was het zeker de moeite om waard om er tijd aan te besteden. Maar precies daarover kunnen we twijfelen. Op een enkel voorbeeld na (door burgers georganiseerde dagbestedingsactiviteiten in Horst aan de Maas) lijkt de bijdrage van het buurthuiswerk aan de zelfredzaamheid van zeer kwetsbare ouderen zeer beperkt. Daar is misschien iets aan te doen, maar dan moet de focus niet liggen op ‘hoe ondersteunen we de krachtige burgers die een buurthuis willen runnen’ maar op ‘hoe zetten we die kracht in voor groepen die het zelf niet redden’.

Delen in het goede leven

Heel plat gezegd zal het ontslaan van sociale professionals de werkloosheid niet verkleinen. Wel kunnen we kijken hoe het onbetaalde werk in buurthuizen mensen helpt de competenties te ontwikkelen waarmee ze een betaalde baan kunnen verwerven. Maar misschien is het nog wel beter te zoeken naar manieren waarop het lijden aan armoede en overtolligheid verzacht kan worden doordat mensen een enigszins rijk leven in de buurt kunnen hebben. Buurtvoorzieningen kunnen ook materiële noden verzachten: de ruilwinkel, de witte boekenkast, de fruittuin of de wijkmaaltijd. Misschien kunnen sterke burgers dat voor de zwakkeren organiseren, maar is het niet veel rechtvaardiger en verstandiger als een samenleving van welvarende werkende mensen het belastingstelsel gebruikt om te zorgen dat iedereen een beetje deelt in het goede leven? Is het niet een enorme stap terug als oude en nieuwe armen weer afhankelijk wordt van de weldadige werken van hun buurtgenoten?

Jeugd

En dan de jeugd. Er zijn door jongeren zeer gewaardeerde vormen van zelfbeheer: zuipketen. Ik denk niet dat we dat bedoelen met bewonerszelfbeheer. Maar wat dan wel? Het is ongelofelijk belangrijk dat burgers hun talenten en betrokkenheid mogen gebruiken om ervaring en inzicht door te geven aan een volgende generatie, en er zijn heel veel prachtige initiatieven op buurtniveau die onze aandacht verdienen. Maar of het ‘buurthuis’ nu de plek is waar jongeren het best geholpen worden om hun leven op de rit te krijgen en te houden, dat is zeer de vraag. Zeker niet als de vrijwilligers hun tijd moeten investeren in het verhuren van zalen om de begroting rond te krijgen. Dan mag er best een jongere een computercursus helpen geven, maar zullen iets moeilijker doelgroepen ver op afstand worden gehouden door de bewoners die het buurthuis beheren.

Is het buurthuis het middel?

Het is absoluut waar dat de kracht van burgers – als familielid, als buur, als werkgever, als vrijwilliger – onmisbaar is om de opgaven van vergrijzing, werkloosheid en verlorenheid succesvol ter hand te nemen. Maar of het middel buurthuis daarbij enige importantie heeft is voor mij zeer de vraag.
Als we het er dan toch over moeten hebben, laten we dan kijken wat er nodig is om het middel effectief te benutten tegen de kwalen die we moeten bestrijden. Want het middel behouden omdat we het vroeger ook hadden – maar dan in de misschien goedkopere, maar zeker amateuristischer variant – dat lijkt me zonde van ieders tijd.

Meer info
Klaas Mulder is Docent Leren en werken in de wijk, Hogeschool Utrecht.

Voor meer artikelen en weblectures van Klaas Mulder, zie http://www.kijkopkansen.nl.

Leerwerkloket Rotterdam

LeerWerkLoket Rijnmond en het Social Return of Investment
Het LeerWerkLoket Rijnmond vervult een rol in het concretiseren van de Social Return of Investment (=SROI) afspraken. Bij aanbestedingen tot een bedrag van € 200.000, - zal de LeerWerk Adviseur de werkgever adviseren en helpen de SROI afspraken in te vullen. De verwachting is dat er vanuit deze SROI afspraken extra stageplaatsen gerealiseerd kunnen worden en ontstaan er ook nieuwe baanopeningen. Het is voor het onderwijs en bedrijfsleven belangrijk dat er een goede match gemaakt kan worden zodat de juiste persoon bij de juiste werkgever terecht komt. Nog belangrijker is dat deze persoon kan werken aan zijn of haar maatschappelijke carrière en daarmee bijdraagt aan de Regionale en Rotterdamse economie en de werkgever kan de SROI verplichting op een meer dan zinvolle wijze invullen. De LeerWerk Adviseur helpt u daar bij!

Social Return of Investment (=SROI)
Rotterdam kent een groot aantal Rotterdammers met een afstand tot de arbeidsmarkt. Samen met het bedrijfsleven wil Rotterdam deze personen zo productief mogelijk inzetten, werkervaring laten opdoen en (waar mogelijk) uit laten stromen naar de arbeidsmarkt. Om dit te ondersteunen bundelt de gemeente haar inkoopkracht. Bij alle aanbestedingen boven € 15.000, - neemt de gemeente een sociale paragraaf op. Hiermee geeft zij ook invulling aan haar maatschappelijk ondernemerschap. Deze aanpak heet Social Return of Investment. Hiermee dragen gemeente en bedrijfsleven samen bij aan een economisch en sociaal gezondere stad. Hiermee versterkt het bedrijfsleven tevens de eigen concurrentiepositie.

Definitie Social Return of Investment
SROI bij inkoop is het vaststellen en uitvoeren van sociale voorwaarden door middel van het opnemen van een sociale paragraaf in bestekken bij onder andere de eisen en wensen in inkoop- en aanbestedingstrajecten. Hierdoor leveren opdrachtnemers een bijdrage aan de uitvoering van de Rotterdamse beleidslijnen ten aanzien van het werkgelegenheidsbeleid. Dit geldt in het bijzonder voor het aan het werk helpen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. De SROI is onderdeel van het duurzame inkoopbeleid van de gemeente.

Doel Social Return of Investment
Het doel van SROI stimuleert verschillende beleidsdoelen van de gemeente, waaronder het vergroten van de arbeidsparticipatie van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, duurzaam inkoopbeleid, vergroten van vakmanschap door het bieden van leer/werkplaatsen en of stageplekken en het realiseren van economisch voordeel. Door het vergroten van de uitstroom van de doelgroepen worden de kosten voor de uitkeringen lager, maar ook de sociaal maatschappelijke kosten in brede zin ( zoals de gezondheidszorg).

Doelgroepen van Social Return of Investment

Gedurende de periode 2012 2013 wordt de SROI-paragraaf ingezet voor de volgende doelgroepen:
1. Uitkeringsgerechtigden WWB en WWNV[1]
2. Uitkeringsgerechtigden UWV
3. Wsw’ers
4. Leerlingen van VMBO, VSO, MBO niveau 1 en MBO niveau 2 en praktijkscholen

Maatschappelijke en sociale activeringsplekken zoals het verrichten van bijvoorbeeld vrijwilligerswerk door een uitkeringsgerechtigde als tegenprestatie voor het ontvangen van een uitkering vallen op dit moment niet onder de SR- verplichting. Dit geldt ook voor het detacheren of het laten uitstromen van de interne herplaatsingkandidaten naar de arbeidsmarkt. Dit betekent niet dat de inkoopkracht voor deze initiatieven niet gebruikt kan worden.

http://rotterdam.lerenenwerken.nl/leerwerkloket-rijnmond-en-het-sroi

De Makers van Rotterdam

dit zijn de makers van Rotterdam

Rotterdamse Oogst

Uit je eigen stad

Granny’s Finest

Wandschappen

Thuis Op Straat

Wijkkeuken op Zuid

Singeldingen

Leeszaal Rotterdam-West

Kook met mij mee!

Belvédère, Rotterdams verhalenhuis

Creatief Beheer

DoorDeWijks

BuurtLAB

http://www.demakersvanrotterdam.nl

Oli’s callcenter
Oli’s callcenter is een contact- en servicecentrum voor slechtzienden in Rotterdam. OLi’s callcenter verleent in eerste instantie voorrang aan sollicitanten met een visuele beperking en werkzoekenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

Stichting Pluspunt
Stichting Pluspunt Rotterdam is een werk- en activeringscentrum voor dak- en thuisloze mensen en voor mensen die in een sociaal isolement zijn geraakt. De stichting levert diensten en goederen aan particulieren en bedrijven.

Job-Score
Jobs-Score is een bijzonder uitzendorganisatie voor verslaafden en heeft als doel: het opzetten en in stand houden van projecten die ertoe strekken om verslaafden en ex-verslaafden werkgelegenheid te bieden.

Voedselbank Rotterdam
De missie van de voedselbank is verspilling van voedsel tegen te gaan door dit bij bedrijven in te zamelen en gratis te verstrekken aan mensen die in Nederland onder de armoedegrens leven. De Voedselbank werkt uitsluitend met onbetaalde vrijwilligers.

Voedseltuin Rotterdam
De stichting Voedseltuin Rotterdam heeft als doelstelling het produceren van biologische groente en fruit voor de cliënten van de Voedselbank. De werkers op de tuin zijn mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en vrijwilligers.

Wilskracht Werkt
Wilskracht Werkt is de stichting van Wil Roode. Het eerste doel van Stichting Wilskracht Werkt is dat iedereen mee kan doen. Het tweede doel is activering en participatie van mensen in de samenleving.

Cleo-Patria Vrouwenstudio
Stichting Cleo-Patria heeft sinds 2001 in een aantal deelgemeenten multiculturele vrouwenstudio’s ontwikkeld. Doel van deze studio’s is het bevorderen van participatie, emancipatie en integratie van vrouwen in de wijk.

Hotspot Hutspot
Een informele eetstek waar onder leiding van een kok wordt gekookt door buurtbewoners voor buurtbewoners. Gezondheid, activiteiten voor de jeugd en contact met buurtbewoners komen samen in het nieuwe Hotspot Hutspot.

Oppas-coop
Een groep ouders die elkaar leert kennen rond de speeltuin organiseren oppas-coop: elk opgepast uur kan ook weer teruggevraagd worden.

Taalnomaden
Michiel Brink wordt door sommigen gezien als de ‘sociaal cartograaf’ van Oud Charlois. Hij maakt samen met bewoners mozaïeken die in de buitenruimte van Oud Charlois geplaatst worden, die betekenis geven aan heden en verleden.

Tafelvanzeven
Tafelvanzeven is een leerwerktraject en een culinaire ontmoetingsplaats voor allochtone vrouwen, die interesse hebben in de horeca.

Blijstroom
Een groep inwoners van Rotterdam-Noord wil zelf groene stroom gaan produceren voor eigen gebruik.

Gek Op Werk
Re-integratiebureau ‘Gek op Werk’ heeft met behulp van webcams en chatsessies de eerste tien ex-psychiatrische patiënten aan werk geholpen.

Nieuw Sociaal Werk
Nieuw Sociaal Werk is de schakel tussen de commerciële en de maatschappelijke sector. Bij Nieuw Sociaal Werk werken mensen die het zonder beetje extra aandacht net niet redden.

Project Leefstand
Leegstand is groot probleem in veel winkelstraten. Verhuur is problematisch. Voorstel van Leefstand is door tijdelijke invulling de verhuurbaarheid van het pand te vergroten.

Vakmanstad
Stichting Vakmanstad verbindt verschillende schaalniveaus – straat, buurt, wijk, stad – vanuit een integrale gebiedsontwikkelingvisie met het oog op duurzame samenlevingsopbouw.

© 2013 de makers van Rotterdam

zondag, juni 16, 2013

Apple - Making a difference. One app at a time.

http://www.youtube.com/watch?v=PGtP6ZQ6Lt8

SER advies

Ontwerpadvies SER: ambachten onmisbare schakel in Nederlandse economie

14 juni 2013

Invoering van een capaciteitentoets op de basisschool, profilering van goed vakmanschap (door meestertitel) en meer aandacht voor ondernemers-vaardigheden. Dit zijn enkele aanbevelingen uit het SER-ontwerpadvies over de ambachtseconomie. Meer aandacht voor de vakmensen in talrijke ambachten is hard nodig want zij vormen – met een jaaromzet van 110 miljard euro –een onmisbare schakel in de Nederlandse economie en samenleving. De komende jaren zullen er echter oplopende tekorten aan vakmensen ontstaan. Het ontwerpadvies zal op 21 juni worden vastgesteld in de Sociaal-Economische Raad en is bestemd voor minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Ambachten ondergewaardeerd

De ambachten leveren een substantiële bijdrage aan de economische ontwikkeling van Nederland. Diverse ambachten vormen een bron van creativiteit en innovatie en spelen zo een wezenlijke rol in de innovatieketen. Een aantal specialistische ambachten heeft een sleutelfunctie in de (maak)industrie. Ambachten leveren ook een bijdrage aan het opleiden van vakmensen. Ambachten met een sterk lokale oriëntatie dragen bovendien bij aan de sociale samenhang.

(H)erken talent

Volgens het ontwerpadvies is het herkennen – en erkennen – van talent van leerlingen voor ambachtelijke vaardigheden nodig om de verminderde instroom in de sector te stoppen. De raad beveelt daarom een capaciteitentoets naast of als onderdeel van het Cito-toetsingsysteem. Deze toets meet dan naast cognitieve vaardigheden ook praktische talenten. Scholen kunnen zo ‘talent’ voor praktische vaardigheden herkennen en waarderen.
De SER constateert dat de waardering voor vakmanschap te wensen over laat. Een algemene opleiding geniet bij jongeren en ouders bijvoorbeeld meer waardering dan de keuze voor een ambachtelijke opleiding. Vergroting van de waardering van ambachten begint bij het zichtbaarder maken ervan in de samenleving, want ‘onbekend maakt onbemind’. Invoering van de meestertitel in een ambachtelijke branche is een mogelijkheid om vakmanschap en excellentie zichtbaarder te maken. Meesters kunnen ook als ambassadeurs van de ambachten fungeren.
Ook veelvuldige (vroege) kennismaking met beroepen in het onderwijs moet bijdragen aan een grotere belangstelling voor een ambachtelijke opleiding. Daarnaast is het van belang dat het perspectief op werk en daarmee de kans op een baan meer zichtbaar wordt. De overheid zou hiervoor actuele en makkelijk toegankelijke arbeidsmarktinformatie per beroepsgroep moeten bieden.

Versterk beroepsonderwijs

De raad adviseert de positie van het vakonderwijs te verbeteren door onder andere het beroepsperspectief van vmbo, mbo en hbo beter zichtbaar en inzichtelijk te maken. Als gevolg van nieuwe technologische ontwikkelingen spelen kennis en techniek een steeds grotere rol in het ambacht. Het is dan ook een misvatting dat het om ongeschoold werk zou gaan.
De doorstroommogelijkheden tussen de opleidingen is een ander verbeterpunt. Het resultaat daarvan is een doorlopende leerlijn met een vlekkeloze aansluiting.
De raad vraagt in het bijzonder aandacht voor de rol van kleinschalige opleidingen. De raad acht het noodzakelijk dat deze opleidingen voor een specialistisch beroep met een reëel arbeidsmarktperspectief in stand kunnen blijven, zoals specialistische opleidingen voor beroepen als fietstechnici, pianotechnici, audiciens, tandtechnici, glasblazers, keramisten en meubelmakers.
Wezenlijk onderdeel van het ambachtsonderwijs zijn de leerbedrijven. Aangezien de ambachtseconomie een relatief groot aandeel zzp’ers kent en gezien de verwachting dat dit aandeel nog zal groeien, acht de raad het wenselijk dat ook zzp’ers in aanmerking kunnen komen voor de nieuwe subsidieregeling (per 1 januari 2014) om leerlingen als leerbedrijf te begeleiden bij hun stage of leerwerk-traject.

Versterk ondernemerschap

De ambachtseconomie kent veel kleinschalige bedrijven en een relatief groot aandeel zzp’ers. Dit betekent dat ambachtelijk vakmanschap en ondernemerschap vaak in combinatie moeten worden uitgeoefend. Deze combinatie is in de praktijk veeleisend. De raad acht het wenselijk dat ontwikkeling en training van vaardigheden die nodig zijn voor het ondernemerschap zo mogelijk al in het beroepsonderwijs worden aangeleerd.
Om ondernemerschap verder te versterken kunnen de nieuwe Ondernemerspleinen ondersteuning en voorlichting geven aan ondernemers in de ambachtseconomie. De focus ligt daarbij vooral op starters. Het gaat om ondersteuning bij onderwerpen als internationaal zakendoen en bedrijfsopvolging en –overname.

Let op kwalitatief goed werk

Ondernemerschap betekent ook aandacht voor kwalitatief goed werk en duurzame inzetbaarheid. De raad doelt daarmee op gezond en veilig werk en aandacht voor scholing. Dit geldt voor alle werkenden in de ambachtseconomie, zowel voor zzp’ers als voor werknemers. Dit aspect zou al benadrukt kunnen worden tijdens de leerwerkplekken waar leerlingen hun eerste werkervaringen opdoen. Goed werk en de mogelijkheid om hiermee een goed inkomen te verwerven maken het werken in een ambachtelijke beroep aantrekkelijk.

Stimuleer samenwerking en verbeter coördinatie

Gezien de kleinschaligheid van het overgrote deel van de ambachtelijke bedrijven, plus het feit dat in veel gevallen sprake is van kleine brancheorganisaties, kan samenwerking tussen verwante organisaties zinvol zijn. De raad constateert dat bij diverse brancheorganisaties tevens behoefte bestaat aan verdergaande afstemming en coördinatie, waarbij ook de beschikbaarheid van relevante kennis en informatie van belang is.
Om versnippering tegen te gaan pleit de raad voor een private coördinatiestructuur die een aantal relevante sectoroverstijgende activiteiten centraal coördineert. De overheid zou de betrokken organisaties moeten ondersteunen bij de realisatie van een dergelijke structuur.

Tekorten bieden ook kansen

De oplopende tekorten aan vakmensen in de ambachtseconomie ontstaan doordat veel ouderen uitstromen en de instroom van jongeren vanuit het beroepsonderwijs al jaren afneemt. Voor de periode 2010-2021 verwacht men een vervangingsvraag van 229.000 vakmensen. Deze ontwikkelingen zijn zorgelijk maar bieden ook kansen, vooral in het licht van de toenemende (jeugd)werkloosheid.

Stand van zaken

Het ontwerpadvies Handmade in Holland: vakmanschap en ondernemerschap in de ambachtseconomie is voorbereid door de Commissie Toekomst Ambachtseconomie, onder voorzitterschap van kroonlid Mirjam van Praag. Het is een reactie op een adviesaanvraag van minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 december 2012. Het advies zal naar verwachting worden vastgesteld tijdens de openbare raadsvergadering van vrijdag 21 juni.

zaterdag, juni 15, 2013

Plenty; megatrends water, energie en grondstoffen

http://www.youtube.com/watch?v=lf8bENg5HPI&feature=player_embedded

This is the first day of the rest of your life