zondag, december 02, 2012

zondag, oktober 14, 2012

Troonrede techniek KIVI NIRIA 2012

Techniek Troonrede 2012

Dames en heren,

De relatie tussen mens en techniek is een bijzondere. Als geen ander heeft Harry Mulisch dat onder woorden gebracht: de band tussen de mens en zijn apparaten is als die tussen een hert en zijn gewei. Apparaten zijn inderdaad verlengstukken van ons hoofd. En ze zitten goed vast, zodra ze er eenmaal uit zijn ontstaan. Neem de mobiele telefoon. We hebben als mensheid een paar miljoen jaar zonder gekund, maar sinds het ding er eenmaal is kunnen we geen uur zonder. Soms denk ik wel eens dat de telefoon zoals een gewei op sommige hoofden vast zit. Ik wed dat sommigen van u ook nu met uw telefoon bezig zijn; hetzij om te twitteren, hetzij om uw e-mail te checken.

Er is nog een reden waarom de uitspraak van Mulisch, die als weinig Nederlandse schrijvers heeft nagedacht over het belang van wetenschap en techniek, zo intrigerend is. Hij vergelijkt de mens als Homo technicus met een dier.

Welnu, er is geen enkel dier dat zo’n verhouding met techniek heeft als wij. Onze neefjes en nichtjes, de mensapen, kunnen stokjes gebruiken om termieten uit een nest te halen. Ze kunnen na jarenlang oefenen met behulp van twee stenen –een hamer en ee n aambeeld –noten kraken. En ook s er een Calidonische kraaiensoort die instrumenten maakt om aan voedsel te komen. Maar dan houdt het zo ongeveer op. Tenzij de mens de dieren natuurlijk van apparaten voorziet zoals bij apen die via een iPad kunnen communiceren.

Je hoort wel eens de uitspraak dat techniek ontmenselijkend zou werken, maar het tegendeel is waar. Als er een karaktertrek is die ons als mens definieert, dan is het onze verhouding tot techniek.
Een baviaan ontwerpt geen elektrische auto, een vis heeft geen idee waartoe een fiets dient, een konijn kan niet sms’en.
Met andere woorden, wij moeten als mensheid trots zijn op onze apparaten, op de mensen die hen hebben uitgevonden en op de mensen die hen kunnen bedienen.
Techniek is de basis voor welvaart en macht. Altijd en overal. Technische vaardigheid en uitvindingen stuwen al duizenden jaren de mensheid en sturen de onderlinge verhoudingen tussen volkeren –k hoef slechts het vuur en het wiel te noemen, en ze doen dat nog steeds. Waarom verloor Napoleon? Omdat de anderen snelvuurgeschut hadden en hij niet. Zo simpel is het soms.
Een land dat technisch voorop loopt, wordt rijk. Nederland zou dat als weinig andere landen moeten weten. Het was immers niet toevallig dat de Lage Landen tijdens de Gouden Eeuw zo machtig waren. Weet u nog dat premier Balkenende de term VOC-mentaliteit introduceerde?

Laten we eens inzoomen op de Nederlandse successen in de Gouden Eeuw. Waar kwam dat door? Welnu, er zijn verschillende visies daarop maar ik wil u die schrijver R.F. Marx niet onthouden. Hij meent dat de Nederlandse Gouden Eeuw op uitmuntende techniek stoelde.

Een citaat: “Niet alleen door hun superieure aantal schepen konden de Hollanders een einde maken aan de Portugese maritieme overheersing van Oost-Indië, maar ook vanwege het feit dat zij betere schepen, geschut en bemanningen hadden.” In technisch opzicht waren de Lage Landen hoog boven concurrerende naties verheven. We hadden kanonnen die verder schoten dan de Spaanse. We konden beter met buskruit omgaan omdat we een chemische oplossing hadden bedacht voor de ontmenging van kruit, een van de grote technische problemen van die tijd.
En misschien wel het allerbelangrijkst was de fluit, een vaartuig dat rond 1590 in Nederland werd ontwikkeld. Het was een rank en snel schip dat maar tien koppen vergde tegen dertig op elk vergelijkbaar schip.
Net zoals de haringbuis ons een voorsprong had gegeven in de haringvisserij, verschafte het fluitschip Nederland een superieure positie in de internationale koopvaardij. De fraaie grachtenpanden in Amsterdam, Zierikzee, Gouda, enzovoorts getuigen niet alleen van visie en leiderschap in de top van de VOC, van een handelsgeest die in de hele bevolking aanwezig was, maar minstens even zeer van het feit dat er een periode is geweest dat Nederland technisch domineerde.

Ik hecht er aan om dit te benadrukken omdat je nogal eens hoort verkondigen dat wij nu eenmaal een handelsland zouden zijn en geen industriële of technische traditie zouden hebben. Dit is baarlijke nonsens. U weet allemaal dat Nederland is gevormd door de strijd tegen het water. Dat ging met technische doorbraken gepaard: met polders, dijken, boezems, sluizen, stuwen, weteringen, enzovoorts.

Weet u nog, januari 2012? Het water in het IJsselmeer stond erg hoog en de stad Kampen werd bedreigd. Maar geen probleem, de balgstuw bij Ramspol werd opgeblazen. Voor veel mensen was het de eerste keer dat ze het woord hoorden. Een woord dat associaties oproept met Tolkien’s meesterwerk The Lord of the Rings –een huiveringwekkend gevecht tussen Frodo de hobbit en de perfide balgstuw –maar het bleek een van de vele waterbouwkundige contrapties uit Nederland te zijn: een soort opblaasbare keersluis. En jawel, we bleken ook nog eens de grootste ter wereld te hebben.
Maar niet alleen wanneer de waterwolf gromde, waren onze voorouders innovatief. Ik geef u een opsomming: de compact disk, de duikboot, de microscoop, de zaagmolen, de telescoop, het slingeruurwerk, de condensator, het cardiogram, de boekdrukkunst, de fasecontrastmicroscoop, de kunstnier, de flitspaal, de hartlongmachine, de wielklem, het draagbaar navigatiesysteem, enzovoorts, enzovoorts. Weet u in welk land deze uitvindingen zijn gedaan?

Jazeker, over de oorsprong van de uitvinding van de boekdrukkunst valt te twisten, maar het valt te verdedigen dat deze hele lijst uit Nederland komt of door Nederlanders is bedacht.
Met andere woorden, dit land heeft een wonderschone technische traditie.

Het is soms zelfs zo dat Nederlandse uitvindingen de welvaart van andere landen schraagden. Zo raakte Nederland zijn dominante positie uit de VOC-tijd kwijt aan Engeland. Ook dát had met techniek te maken. Hier werd een methode ontwikkeld om schepen met koperen platen te beslaan. Anti-fouling zouden we nu zeggen, een wapening tegen de aangroei van algen. Een schip met baard onder water gaat langzamer.
Het was een opzienbarende innovatie maar ze werd niet in Nederland toegepast. Het hoefde niet meer, we waren al rijk. De techniek werd wel in Engeland toegepast, dat mede dankzij die Hollandse vondst een maritieme grootmacht en concurrent werd.

De huidige positie van Nederland op technisch-wetenschappelijk gebied is helaas in tegenstelling tot vroeger niet bijster goed. Uitgedrukt in percentages van het bruto binnenlands product geeft Nederland niet veel geld uit aan wetenschappelijk onderzoek en technische ontwikkeling en het wordt ook elk decennium minder. We bevinden ons al lang niet meer in de internationale kopgroep maar ergens halverwege het peloton en we hebben daar moeite om aan te klampen.

In de jaren zeventig had Nederland nog meer dan twee procent van het bruto binnenlands product over voor research & development en was daarmee een leidend land. Sindsdien is het voortdurend minder geworden.
Vooral omdat de industrie steeds minder in Nederlandse laboratoria investeert maar ook omdat achtereenvolgende kabinetten, van welke politieke signatuur ook, terwijl ze met de mond het Lissabon-ideaal beleden dat ieder land naar drie procent zou moeten, in de praktijk ofwel bezuinigden dan wel pas op de plaats maakten met investeringen in wetenschap en techniek.
Dat staat in schril contrast met sommige landen waarmee wij concurreren. Terwijl Nederland voortdurend zakt, stijgt Zuid-Korea gestaag: het land gaf in 1981 maar iets meer dan een half procent uit aan onderzoek en ontwikkeling maar zit inmiddels boven de twee procent.

Daarnaast hebben wij veel minder slimmeriken dan Azië en Amerika. Japan en China hebben zo’n vijf ingenieurs en wetenschappers per duizend inwoners, Israël is opvallend tweede met 4,4, de Verenigde Staten heeft er 3,8 en ver daarna pas komt de Europese Unie met 1,9. De zes rijkste Aziatische landen spuwen jaarlijks meer dan een half miljoen afgestudeerde natuurwetenschappers en ingenieurs uit. Dat is meer dan heel Europa en Noord-Amerika gezamenlijk!

En waar we vroeger nog konden zeggen dat onze wetenschapsmensen en ingenieurs weliswaar duur waren maar wel heel innovatief en creatief, hebben ze nu in Azië ook heel innovatieve en creatieve geesten. Steeds meer multinationals verplaatsen hun ontwerpafdelingen naar Azië. Het ontwerp! Datgene waarvan wij altijd zeiden dat we er zo goed in waren.

Ook binnen Europa springt Nederland er niet bepaald positief uit. Bij ons kiezen studenten sterker dan in de meeste andere Europese landen voor ‘zachte’vakken als letteren en menswetenschappen die door veel middelbare scholieren als minder moeilijk worden ervaren dan natuurwetenschappen. Dat geldt niet alleen voor de universiteiten maar ook voor het hoger beroepsonderwijs.
Maar 1,6 op de 10 Nederlandse hbo-studenten kiest voor een technisch beroepsprofiel. Tellen we hbo en wetenschappelijk onderwijs bij elkaar op, dan komen we in Nederland op 29 procent studenten science en engineering, waar het gemiddelde in de Oeso, zeg maar de beschaafde wereld, op 34 procent ligt. Niet alleen landen als Frankrijk, Ierland en België overvleugelen ons maar ook Roemenië, Slowakije en Bulgarije. Dames en heren, dat is bedroevend slecht!

Er zullen de komende jaren dan ook ernstige tekorten aan technici, ingenieurs en natuurwetenschappers ontstaan. Temeer daar de komende jaren veel oudere bèta’s, ngenieurs en technici met pensioen zullen gaan. In het masterplan Bèta en Techniek s onlangs geschat dat dit n 2016 wel eens om een tekort van zo’n 200.000 mensen in de sectoren techniek, groene techniek, agro & food zou kunnen gaan. Gelukkig neemt sinds enkele jaren de toestroom in techniek en natuurwetenschap weer toe na vele jaren gedaald te zijn, maar de stijging blijft achter bij de algehele toename in het hoger en wetenschappelijk onderwijs.

En het werkt op andere vlakken door. Door de massale belangstelling voor letteren, mens- en maatschappijwetenschappen gaat er van het toch al relatief kleine research- en onderwijsbudget in dit land meer naar zachte vakken dan elders. Uit internationaal vergelijkende studies blijkt dat Nederland ver boven het gemiddelde zit bij uitgaven voor sociologie, economie, psychologie, kunst en literatuur en dat we ver onder het gemiddelde zitten bij technische wetenschappen, informatica en wiskunde. Juist wanneer het economisch slecht gaat, is het verstandig om te investeren in technisch vernuft.

De Oostenrijks-Amerikaanse econoom Joseph Schumpeter –de grote heoreticus van de nnovatie heeft dat in het verleden al eens benadrukt en president Obama heeft het onlangs weer herhaald. Toch is het geen logische reflex. Het zal niet voor niets zijn dat je juist dezer dagen veelvuldig het grapje hoort dat er drie manieren zijn om een bedrijf naar de bliksem te helpen: drank, vrouwen en research.
Dat is niet alleen een flauw maar ook een buitengewoon onverstandig grapje. Wetenschap en technologie maken bedrijven en landen slimmer. Vanzelfsprekend moeten bedrijven en overheden bezuinigen maar ze moeten de kip die de gouden eieren legt niet slachten. I
Juist bij tegenspoed is het prettig om een sterke technische basis te hebben. Dat toont Duitsland ons. Onze oosterbuur heeft wel een krachtige maakindustrie en komt dan ook veel makkelijker uit de crisis. De Duitse politiek komt wel krachtig op voor de belangen van de eigen industrie en ziet we l het belang in van het ontwikkelen van nieuwe producten en nieuwe kennis voor de toekomst van Duitsland. Duitse onderzoeksinstituten behoren we tot de beste en rijkste ter wereld en kunnen wel de concurrentie aan met Amerikaanse universiteiten als Stanford, Harvard en MIT. “Made in Germany” is het nationale parool geworden.
Ook wij moeten en kunnen trots zijn op onze maakindustrie. Neem de chemische industrie. Die komt –zie Moerdijk, zie Odfjell –regelmatig negatief in het nieuws maar er zou wat vaker benadrukt kunnen worden dat de Nederlandse chemische industrie tot de top in de wereld behoort.

Wat zeg ik, tot de top behoren?
Wanneer Europoort, Moerdijk en Terneuzen tot één re gio worden gerekend, en met die geringe onderlinge afstanden is dat niet vreemd, en we sjoemelen een heel klein beetje door ook Antwerpen mee te rekenen, dan hebben we het over het grootste chemische complex ter wereld, groter dan waar ook in China of het Midden-Oosten, zelfs groter dan wat de Verenigde Staten allemaal rond de baai van Mexico heeft. Hierin zijn we de absolute wereldkampioen en dat in een branche met veel toegevoegde waarde, een sector waar veel kennis en technologie in zit. Dat is dus iets om heel erg trots op te zijn in plaats van er op te mopperen!
Wat moet er nog meer gebeuren? We moeten proberen techniek en wetenschap aantrekkelijker te maken. Dat is niet nieuw natuurlijk. De overheid probeert dat al vele jaren met campagnes als ‘Kies exact’en ‘Focus op vakmanschap’. Dat is tot nu toe maar gedeeltelijk gelukt. En dus wordt het nu over een andere boeg gegooid. Zo was er voor de zomer een idee van de PvdA om het collegegeld voor techniekstudies te laten vervallen. Ook FME kwam met dit idee.
Hoe sympathiek dit ook was bedoeld, volgens mij is dit niet de juiste weg. Dan kiezen middelbare scholieren op basis van verkeerde motieven voor technische studies. Ze komen zichzelf keihard tegen in het eerste jaar en haken dan af.

Veel verstandiger is het om de bekostigingssystematiek voor de huidige opleidingen aan te passen. Deze zogeheten eerste geldstroom is gebaseerd op de hoeveelheid studenten. Aldus laten we de grillen van zeventien- en achttienjarigen het speerpuntenbeleid van een land bepalen. Dat is niet verstandig. Veel beter is het om studies te bekostigen op basis van het nationaal belang. Niet de scholier moet kiezen welke opleidingen geld krijgen, dan moet de Tweede Kamer doen!
Als wij met zijn allen van mening zijn dat watertechnologie of biotechnologie –vul n wat u belangrijk vindt - voor Nederland van groot belang is, dan moet er meer geld naar dergelijke studies en moeten we middelbare scholieren duidelijk maken dat ze door dergelijke studies te kiezen bij een prachtige Nederlandse traditie aansluiten en dat ze ook terechtkomen op goed geoutilleerde faculteiten waar ze met de rest van de wereld kunnen concurreren.
In het verlengde daarvan bevalt ook de redenering van staatssecretaris Halbe Zijlstra waarmee hij een langstudeerboete en het afschaffen van de studiebeurs in de masterfase heeft verdedigt, ons niet. Hij vindt dat studenten zelf meer moeten opdraaien voor de kosten van een studie. Dan zullen ze, zo denkt hij, eerder kiezen voor een studie waar de markt behoefte aan heeft. Dat klinkt logisch, maar het zal tot gevolg hebben dat studenten nog meer dan nu zullen opteren voor korte en relatief makkelijke studies.
Een overheid moet naar het nationaal belang kijken en beslissen aan welke opleidingen Nederland behoefte heeft. Als die overheid dan concludeert dat technische opleidingen van groot belang zijn, en die indruk wekken diverse regeringsnota’s en uitspraken van bewindslieden, dan moet de staatssecretaris er tenminste zorg voor dragen dat er geen extra financiële drempel is bij dergelijke studies, hoe zwaar ze ook zijn.
Techniekstudenten kunnen best een financieel steuntje in de rug gebruiken. Het is bijvoorbeeld denkbaar om de totale studiekosten los te koppelen van de studielast. Nu moeten studenten die een zwaardere studie volgen doorgaans meer aflossen dan studenten die een pretstudie volgen. Maar net iets meer dan de helft van het aantal bèta- en techniekstudenten studeert binnen vijf jaar af waar veel studenten die makkelijker studies volgen al na vier jaar klaar zijn. Het zou een mooi gebaar zijn om de studielasten voor bèta- en techniekstudenten, die niet langer over hun studie doen omdat ze feesten maar omdat die studies pittig zijn, op zijn minst omlaag te brengen tot de schulden die andere studenten hebben. Dus mocht het sociaal leenstelsel worden ingevoerd, dan moeten techniek studenten wel een jaar studiefinanciering voor hun masteropleiding krijgen, zodat ze evenveel moeten lenen als andere studenten en wat er ook met de langstudeerboete gaat gebeuren, zoals deze nu is worden techniek studenten zwaarder getroffen dan andere studenten. Gelukkig zie ik in bijna alle verkiezingsprogramma’s bijzondere aandacht voor techniek studies. Daarnaast moeten studenten worden uitgedaagd met de kwaliteit en de relevantie van studies. Ik denk aan campagnes in de trant van ‘Ben jij slim genoeg om science and engineering aan te kunnen?’Studenten die een technische studie volgen, moeten weer trots worden. In plaats dat andere studenten hen voor techneut uitmaken, moet achter hun rug worden gefluisterd: kijk eens, die daar volgt een van de zwaarste studies in Nederland! Wat dat betreft, is de tijd rijp. Het is niet voor niets dat er tegenwoordig tv-series zijn waar zogeheten nerds de hoofdrol spelen en waarin ze niet alleen onhandig zijn maar ook heel snugger –en er tussen wee haakjes met de mooiste vrouwen vandoor gaan. En tussen vier haakjes, die mooie vrouwen zijn dan eveneens nerds, alweer een winstpunt.

Er is nog een ander argument om natuurwetenschap en techniek te promoten, een argument dat de politici in Den Haag zal aanspreken. Diverse onderwijssociologen hebben er in het verleden al eens op gewezen dat bèta en techniek zeer geschikt zijn om klasse- en standsverschillen te overbruggen.
Waar het voor het volgen van een studie, rechten, geneeskunde of kunstgeschiedenis helpt wanneer je ouders je af en toe naar de opera meenemen en wanneer je zo her en der wat kruiwagens hebt, is het enige dat een student techniek of natuurwetenschap nodig heeft, een scherp verstand.
Willen we bijvoorbeeld de positie van niet-westerse allochtonen in Nederland verbeteren, dan moeten we hen stimuleren om voor techniek te kiezen.

Gelukkig gebeurt dat ook in toenemende mate. Het percentage allochtonen in de techniekstudies is de afgelopen tien jaar met 3,6 procent gestegen en de meerderheid van deze groep is niet-westers.
We moeten ook naar een mentaliteitsverandering. Af van het idee dat Nederland enkel een handelsland is. We hebben onze welvaart –nu zowel al s vroeger - niet alleen aan slim handelen te danken maar ook aan vernuftige ontwerpen. Dat was niet alleen zo in de Gouden Eeuw, dat is nu nog steeds zo. Als middelbare scholieren zouden zien wat er bijvoorbeeld op de Tweede Maasvlakte is gebeurd, dan kan het niet anders dan dat zij met een gevoel van trots worden vervuld en met het idee: goh, zou dat ook iets voor mij zijn?
Jawel, dat kunnen wij Nederlanders. Een stuk van de Noordzee met een diepte van twintig meter omzetten in duizend hectare nieuw land. Als geen ander kunnen Nederlanders baggeren en onze ingenieurs bouwen kademuren die een unieke druk aankunnen –niet aleen van het water maar ook van immense containerschepen.
Nee, Nederland is geen land van kooplieden en dominees. Nederland is een land van kooplieden, dominees én vernuftelingen!

Tot slot nog een aantal opmerkingen in relatie tot de politiek en de verkiezingen.

Wij zijn in politiek opzicht een land van losers geworden. Sedert Paars 1 (1994 – 998) heeft geen enkele coalitie de eindstreep gehaald. Politici bepalen hun beleid op basis van de grillen van hun achterban en op de polls van Maurice de Hondt. De uitslag van de verkiezingen zal wellicht wederom leiden tot een lange formatie en een eindeloze compromisreeks, waarbij ministers een kat en muis spel spelen. Dit alles leidde ertoe en zal er wederom toe leiden dat er geen adequate industriepolitiek, geen grondstoffenpolitiek en geen technologiepolitiek gevoerd zal worden.
De crises in Italië en Griekenland waren zodanig groot dat nu technocraten worden ingezet om de landen een toekomst te geven. Ik ben er geen voorstander van om een regering van technocraten te vormen. Het vormen van een kabinet in een omgeving van vele politieke stromingen en idealen kan slechts bereikt worden door het sluiten van compromissen. Niet de allersterkste eigenschap van technocraten. Maar het is wel noodzaak om een regering te vormen met leden die afstand kunnen nemen van hun politieke partijen; die bereid zijn afspraken te maken en deze vervolgens ook uit te voeren. De omgang met de afspraken in het Kunduz akkoord laat zien hoe ver we daar van af zijn. Consequente uitvoering van afspraken, en niet alleen de korte maar ook de lange termijn daarin meenemen, zal zorgen voor duidelijkheid, voor rust en daarmee voor economische groei in ons land.

Wij zijn natuurlijk bijzonder verheugd dat vandaag een aantal ingenieurs die zitting hebben in de Tweede Kamer onder de toehoorders zijn. Voor hen heb ik twee overwegingen, die ik wil meegeven. De eerste: laat ik beginnen met een vraag: Kijkt u thuis nog zwart/wit televisie? Belt u nog met een kiesschijf en zo’n groot apparaat met een snoer eraan? En, rijdt u nog in een auto van 1970? Vermoedelijk toch niet, neem ik aan. Maar waarom wilt u dan wel dat onze luchtmacht in verouderde vliegtuigen hun –zo belangrijke aken n binnen- en buitenland, moeten verrichten. Aan de JSF is veel geld uitgegeven, maar het is wel het entreeticket tot de modernste technologie. En waarom laten we dan nu de high-tech kennis die dat opleverde en nog beschikbaar zal komen, weglopen door te overwegen om het project stop te zetten.
Een tweede thema betreft de ruimtevaart. Ik heb met stijgende verbazing gezien hoe bewindslieden elkaar bijkans voor de voeten liepen bij de feestelijkheden rondom de terugkeer van AndréKuipers vanuit het ruimtestation ISS. Maar diezelfde bewindslieden haalden achteloos een forse streep door de uitgaven voor ruimtevaart in ons land. Door een intensieve lobby is het de sector gelukt om de tweede Kamer ervan te overtuigen dat dat een enorme impact zou hebben op de technologische ontwikkelingen in ons land. Maar nog altijd staat de voorgenomen bezuiniging op de budgets voor ESA en de Nederlandse Spaceprogramma’s in de gevarenzone. Het onderzoek van Kuipers en anderen is van eminent belang voor vele technologische ontwikkelingen, zoals bijv. in de gezondheidszorg; de waterbeheersing, enz.

Dames en heren, let op uw zaak.

Technologische kennis verliezen gaat snel; het opbouwen ervan vergt grote investeringen en langere termijn.
Maar laten we gezamenlijk ervoor zorgen dat we, zoals we in de VOC tijd deden, de winst maken op basis van onze economische supremacy.
Wij beschikken over prachtige bedrijven als ASML, Shell, de VDL groep, Aalberts, Damen, DSM en anderen die in ons land een hoge toegevoegde waarde realiseren.
Om ons land vooruit te helpen in de groeiende wereldwijde concurrentie zullen we een situatie moeten creëren waarin deze bedrijven kunnen groeien en nieuwe bedrijven kunnen ontstaan.

De 23.000 ingenieurs van het Koninklijk Instituut Van Ingenieurs zijn uw ambassadeurs en dragen graag hun steentje bij.

zaterdag, augustus 18, 2012

Staat moet in multinationals zitten

RIJSWIJK
De Nederlandse overheid zou 5 procent van de aandelen van beursgenoteerde multinationals als Philips, DSM, Shell en Unilever moeten bezitten.

Dat stelt topman Wim van der Leegte van VDL in een interview met het AD van zaterdag 18 augustus 2012.

Het verplaatsen van fabrieken naar het buitenland is volgens hem slecht voor de economie. ‘’In Italië en Frankrijk heeft de staat nog aandelen in de belangrijke industrie. Onze regering heeft er juist alles aan gedaan om zijn handen uit de industrie te trekken.’’
‘’Als Nederland 5 tot 10 procent van Philips had gehad, had het kunnen meepraten over verhuizingen. De overheid is uit Fokker, uit DAF, uit DSM, uit NedCar. Slecht.’’. Nederland zou 5 procent van de aandelen moeten hebben om mee te beslissen, vindt Van der Leegte. ‘’Toen Renault een fabriek wilde verplaatsen naar Turkije, stak president Sarkozy als aandeelhouder daar een stokje voor.’’

Politiek

Over de Nederlandse politiek is Van der Leegte niet enthousiast. ‘’De politiek doet te weinig voor de werkgelegenheid. KPN kan duizenden banen outsourcen naar India en het geld dat ze overhouden aan de aandeelhouders geven. Ze gooien wel 4000 mensen bij de overheid op het bordje. Het is veel logischer om geld te heffen op het outsourcen van banen.’’
Ook zou de politiek meer moeten doen voor de industrie. ‘’Als in 2009 de export in Duitsland met een paar procent zakt, staat daar de politiek op zijn kop. Komt er meteen een industriefonds van 100 miljard. Nederland zakt met 18 procent en hier gebeurt niets. Als het hier crisis is, is er in Den Haag niets aan de hand.’’

zondag, juni 24, 2012

Onderzoek naar ondernemerschap

Effecten van onderwijs in ondernemen op de basisschool

Zowel beleidsmakers als economen beschouwen ondernemerschap als een van de drijvende krachten achter de (Nederlandse) economie. Succesvolle ondernemers zorgen namelijk voor economische groei, werkgelegenheid en innovatie. Onderwijs in ondernemen wordt gezien als een middel om meer en succesvoller ondernemerschap te stimuleren, niet alleen in Nederland maar wereldwijd. Een belangrijke vraag, voor zowel beleidsmakers als onderzoekers, is of je ondernemerschap kunt aanleren door middel van een lesprogramma.
Eerder onderzoek, onder studenten in het middelbaar en hoger onderwijs, heeft aangetoond dat de effecten van ondernemerschapslesprogramma’s niet eenduidig (positief) zijn. De effecten van onderwijs in ondernemen op de basisschool werden echter nog niet eerder onderzocht. Maar hoe kun je meten wat het effect van een lesprogramma is op de ondernemende kennis en vaardigheden van kinderen?

Als een arts het effect van een nieuw medicijn wil testen, maakt hij hiervoor gebruik van een behandelgroep (de groep die het nieuwe medicijn krijgt) en een controlegroep (de groep die een placebo krijgt).
Het effect van het medicijn wordt bepaald door te kijken naar het verschil in de gezondheidstoestand tussen deze twee groepen. In economisch onderzoek is deze onderzoeksmethode nog niet zo gebruikelijk en ook niet altijd mogelijk. Door de samenwerking met BizWorld hebben we de unieke kans gekregen om op eenzelfde manier de effecten van dit lesprogramma te meten.

In 2010 en 2011 hebben we onderzoek gedaan bij ruim 2500 leerlingen uit groep 8 van basisscholen in en rond Amsterdam.
Met behulp van twee vragenlijsten (voor- en nameting), die de leerlingen zelf moesten invullen, hebben we gekeken naar de ontwikkeling van ondernemerschapskennis en –vaardigheden. Het effect van het lesprogramma wordt, net als in het medisch onderzoek, bepaald door te kijken naar het verschil in de ontwikkeling tussen de kinderen uit de behandelgroep (met BizWorld) en de kinderen uit de controlegroep (zonder BizWorld).

De vaardigheden die we in dit onderzoek meten zijn: Zelfvertrouwen, Prestatiegerichtheid,Risicobereidheid, Sociale oriëntatie, Doorzettingsvermogen, Motiverend vermogen, Analytisch vermogen, Proactiviteit en Creativiteit.
Los van elkaar zijn deze vaardigheden belangrijk voor zowel ondernemers als werknemers. Onderzoek heeft echter aangetoond dat de combinatie van deze vaardigheden een positief effect heeft op het succes van ondernemers. Naast bovengenoemde specifieke vaardigheden meten we ook de ontwikkeling van ondernemerschapskennis, zoals kennis over winst en verlies, aandelen en productie. Tenslotte, is een van de algemene doelen van onderwijs in ondernemen het bewustmaken van leerlingen van ondernemerschap als mogelijke loopbaan. In dat kader kijken we in dit onderzoek ook naar het effect van BizWorld op de intentie van kinderen om later een eigen bedrijf te beginnen dan wel ondernemer te worden.

De belangrijkste conclusie van ons onderzoek is dat wij, in tegenstelling tot eerder onderzoek, positieve effecten vinden op de ontwikkeling van ondernemerschapsvaardigheden. Dit betekent dat de basisschool een vruchtbare bodem is voor het ontwikkelen van deze vaardigheden en dat vroeg investeren in deze vaardigheden wellicht belangrijker is dan tot nu toe gedacht.

De onderzoekers

Prof Dr Mirjam van Praag is Hoogleraar Ondernemerschap en Organisatie aan de Universiteit van Amsterdam.
Tevens is zij de oprichter en wetenschappelijk directeur van het Amsterdam Center for Entrepreneurship.

Prof Dr Randolph Sloof is Hoogleraar Organisatie Economie aan de Universiteit van Amsterdam.

Laura Rosendahl Huber promoveert aan de Universiteit van Amsterdam, bij het Amsterdam Center for Entrepreneurship.

zondag, april 08, 2012

Ziekmakende factoren in onze maatschappij

Er komen steeds meer kinderen in het speciaal onderwijs terecht.

Volgens hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, Rutger Jan van der Gaag, is dit eerder een gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen dan dat de psychiatrische problemen toenemen.

De welvaart lijkt niet alleen grote voordelen, maar ook nadelige effecten op de gezondheid van kinderen en jeugdigen te hebben. Het aantal kinderen met obesitas neemt toe. Dit werpt een lange schaduw vooruit. De gevolgen op langere termijn tekenen zich scherp af: meer suikerziekte en meer hart- en vaatziekten. En dat terwijl die juist op hun retour leken.

Deze ontwikkeling wordt terecht geweten aan maatschappelijke factoren: kinderen eten veel en ongezond, en bewegen te weinig. Recent onderzoek in Londen laat zien dat achtjarigen in de jaren vijftig een actieradius van ongeveer een mijl (ruim anderhalve kilometer) hadden rond het ouderlijk huis waar ze konden spelen en met hun vriendjes optrekken. Nu is dat minder dan honderd meter. Deels komt dit door bezorgdheid over de veiligheid, maar vaak is gemakzucht er debet aan: kinderen lopen en fietsen niet meer naar school, maar worden met de auto weggebracht of tot hun tiende door een ploeterende ouder in de bakfiets vervoerd. De cultuur veroorzaakt dus ziekten.

Etiketten

Het aantal kinderen en jongeren dat in Nederland is aangewezen op speciaal onderwijs neemt nog steeds toe. In vergelijking met omringende landen is 17 procent extreem hoog. De meeste van die kinderen hebben ‘etiketten’ dyslexie, ADHD en/of autisme. ‘Schande’ wordt er geroepen. ‘Medicalisering van de samenleving!’ Dokters, psychologen en psychiaters zijn er op uit om de kinderen ziek te maken door ze een etiket op te plakken. Nu is het zo dat zo’n etiket nodig is om überhaupt op een school voor speciaal onderwijs te komen. Die etiketten zijn dus heel populair bij overheidsinstanties die ze als paspoort gebruiken. Er is echter, in vergelijking met 1984, geen toename van het aantal kinderen dat problemen vertoont, maar wel van het aantal kinderen voor wie in verband met die ontwikkelingsproblemen hulp gezocht wordt. Medicalisering? Neen, dit zijn de consequenties van de maatschappelijke ontwikkelingen. Er worden steeds hogere eisen gesteld aan individualisering en flexibiliteit. Kinderen met milde ADHD en autisme die binnen de structuur van overzichtelijke scholen redelijk meekonden, vallen nu buiten de boot in een omgeving waar ze zich moeten concentreren bij onwaarschijnlijk veel afleiding. Waar ze veel meer dan vroeger groepswerkjes moeten doen, terwijl hun sociale vaardigheden daar onvoldoende voor zijn.

Dweilen met de kraan open

Psychologen en dokters medicaliseren niet, nee ze dweilen met de kraan wijd open. Wat moet er gebeuren? Er moet een maatschappelijk debat komen over ‘ziekmakende factoren’ in onze maatschappij. Kleinere klassendelers en meer investeren in echt passend onderwijs. En dat is, zoals in de VS en Canada, met 12 en niet met 33 kinderen in de klas. Dat heeft veel meer effect dan hulpverleners medicalisering van de kinderen en jeugdigen te verwijten.

Prof. dr. Rutger Jan van der Gaag is hoogleraar bij Karakter kinder- en jeugdpsychiatrie en het UMC St Radboud. Hij is tevens voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie.

April 2012 - ©karakter

zaterdag, april 07, 2012

Toespraak door Minister van Bijsterveldt bij de Industriepoort in Den Haag, op 28 maart 2012

Dames en heren,

In 1914 richtten Gerard en Anton Philips het Natlab op. Een nieuwe onderzoeksloot aan de stam van het techniekbedrijf, uniek in de wereld. Het Natlab was revolutionair, omdat het inzette op een wisselwerking tussen onafhankelijk onderzoek en pure bedrijfsmatigheid. Er werden ontdekkingen gedaan op het gebied van radiogolven en de theorie van elektrische trillingen. Maar het Natlab was ook de kraamkamer van de langspeelplaat en andere innovaties die voorkwamen uit de synergie van wetenschapsgeest en ondernemingszin.

Op het terrein van het Natlab bevindt zich nu zoals u weet, de High Tech Campus Eindhoven. En ook daar vormt de voortdurende uitwisseling tussen kennis en kunde het DNA. Meer dan 90 bedrijven en instituten en ruim 8.000 onderzoekers, ontwikkelaars en ondernemers werken daar aan de technologieën en producten van morgen. Op steenworp afstand van aanverwante bedrijven en kennisinstituten zoals ASML, TNO en de TU Eindhoven. In het hart van één van Europa’s leidende regio’s op het gebied van onderzoek en ontwikkeling.

Wat in 1914 een bijzondere situatie was, is in deze tijd een basisvoorwaarde voor economische groei. De tijd dat steden rondom fabrieken werden gebouwd, is voorbij. We leven in een wereld waarin bedrijven zich dáár vestigen, waar het talent is. Investeren in voldoende én voldoende goed talent is daarom onmisbaar op elk terrein van de Nederlandse economie. En dat vraagt om een nauwe samenwerking tussen onderwijs, overheid en bedrijfsleven.

Daarom ben ik blij dat ik juist in dit gezelschap, waarin al die gebieden vertegenwoordigd zijn, met u van gedachten kan wisselen. Want we staan voor een dubbele opgave. Niet alleen moeten we de recessie te boven komen, ook het groeivermogen van Nederland moet we verbeteren. Ons land profiteert te weinig van het beginnende herstel in delen van de eurozone. In Duitsland, maar ook in België en Frankrijk gaat het beter dan bij ons.

Eén van de redenen dat Duitsland het nu economisch zo goed doet is zijn kracht in de maakindustrie. Dat levert export op met toegevoegde waarde, zorgt voor goede banen, en laat Duitsland profiteren van de economische groei in Azië. Zonder een goede technische infrastructuur, een degelijk opgeleide beroepsbevolking, zou die Duitse prestatie onmogelijk zijn.

De techniek, de maakindustrie heeft nog een ander voordeel. Technische innovaties verbeteren de productiviteit. En productiviteitsgroei maakt het makkelijk om welvaartswinst te blijven boeken én om te gaan met vergrijzing. Dit is een van de achtergronden van het topsectorenbeleid van mijn collega Maxime Verhagen. Inzetten op die sectoren waarin we groei en vernieuwing kunnen verwachten, en daarvoor de krachten bundelen.

Net als Duitsland hebben we een uitgebreid stelsel van beroepsonderwijs, zoals verder maar weinig landen kennen. Een integrale kolom, van VMBO tot en met HBO, in breedte en kwaliteit internationaal eigenlijk ongeëvenaard. Het zorgt er mede voor dat nergens de jeugdwerkeloosheid zo laag is als in Nederland. Maar wat onze situatie zorgelijk maakt is het relatief geringe aandeel techniek in ons onderwijs, over de gehele linie.

We moeten in ons land de technische industrie overeind houden. En dat vraagt om een integraal plan waarmee we jong vaktalent in groten getale moeten winnen en behouden voor de technische vakken. Het bedrijfsleven heeft daarop via de Human capital agenda’s en het Masterplan bèta techniek al scherp gewezen. Ik geef u graag aan hoe we daar vanuit het onderwijs op inzetten.

Laat ik beginnen met onze eerste ambitie: het techniekbewustzijn van heel jonge kinderen vergroten.

Eén van de redenen dat jongeren minder vaak voor de technische vakken kiezen, is onbekendheid. Kinderen groeien op in een omgeving die ondenkbaar is zonder moderne, technologische toepassingen. Maar aan de andere kant is de wereld achter de tablets, de smartphones en de mobieltjes buiten beeld geraakt. Vroeger was het heel gewoon dat jongetjes transistorradiootjes uit elkaar haalden om te zien hoe het werkte. Nu niet meer.

Het is de uitdaging om die boeiende wereld, die laat zien hoe het werkt, weer dichterbij te brengen.
Scholen krijgen jaarlijks een bedrag om dat naar eigen inzicht te doen. Er komt ook een driejarig programma dat vooral meisjes in het primair onderwijs bekend maakt met techniek in bedrijven. En de mooie, al lopende initiatieven, zoals Jetnet en de projecten van Bèta en techniek, blijven we ondersteunen.

Een tweede lijn is om het techniekvakonderwijs aantrekkelijker te maken. Meer maatwerk, meer ‘smoel’ is daarbij de insteek.

Zo gaan we de ooit zo ‘koninklijke route’ VMBO-MBO-HBO weer concurrerend maken ten opzichte van het algemeen vormend onderwijs. We doen dat door de MBO-opleiding te verkorten en te intensiveren. Voor jongeren die bij de start al voor de praktijk gaan, stimuleren we te kiezen voor de specialistische vakmanschapsroute op MBO-niveau 2 of 3. En voor de technische vaktalenten die ook de theorie erbij willen pakken de technologieroute op MBO-4 niveau. Het vakcollege en de Techmavo zijn hier mooie voorbeelden van. Maar met ons programma Toptechniek in bedrijf ondersteunen we ook andere projecten die passen in deze routes.

Ook scholen en opleidingen die in het HO hun techniekonderwijs willen verbeteren, samen met het bedrijfsleven, kunnen daarin ondersteund worden. Zo krijgt de 3TU Federatie 33 miljoen euro voor versterking van haar techniekonderwijs aan de drie betrokken technische universiteiten. Doel is dat technische universiteiten meer studenten binnenhalen, een hoger studierendement behalen en studie-uitval beperken.

Brengt me bij de laatste lijn: ervoor zorgen dat het opleidingsaanbod beter aansluit op de vraag van de arbeidsmarkt. Hoe komen we af van het versnipperde aanbod, de overmaat aan populaire studies waarnaar weinig vraag is op de arbeidsmarkt?

Overgaan tot dwang via de bekostiging, zoals sommigen vanuit het bedrijfsleven opperen, heeft niet mijn voorkeur. Maar de maatregelen die we nemen, zijn niet vrijblijvend.

We gaan MBO-instellingen vragen hun opleidingenaanbod tegen het licht te houden. Niet elkaar beconcurreren, maar gezamenlijk afstemmen en kiezen voor een eigen profiel. Ook gaan we het aantal populaire opleidingen met weinig arbeidsmarktperspectief indammen en er tegelijkertijd voor zorgen dat de kleine specialistische opleidingen behouden blijven. Daar gaan we stevig op sturen.
Die doelmatigheidsvraag ligt er ook voor het hoger onderwijs. Instellingen voor hoger onderwijs moeten voóór 5 mei 2012 al met een voorstel tot prestatieafspraken komen. Ze geven daarbij aan hoe ze zich profileren en welk opleidingenaanbod daarbij hoort. En die plannen moeten aansluiten bij de Human capital agenda’s van de topsectoren en de innovatiecontracten.

Tot zover een aantal maatregelen langs drie lijnen, die ik als Minister van Onderwijs ga nemen. Over een paar weken komt het kabinet met een reactie op het Masterplan Bèta en techniek. Maar ik zeg nu al nadrukkelijk dat we ook de volle inzet van het bedrijfsleven vragen. ‘It takes two to tango’.

We hebben al de eerste ‘centers of excellence’ in het HO en de centra voor innovatief vakmanschap in het MBO. Daar hebben onderwijs en bedrijven zelf het voortouw genomen om samen te werken aan aantrekkelijker, doelmatiger en kwalitatief beter techniekonderwijs. Die proactieve houding hebben we de komende tijd nodig op álle fronten van het onderwijs.

Een aantal jaren geleden vroeg president Obama aan Steve Jobs: ‘Hoe krijgen we banen die Apple nu in China creëert weer terug?’ Zijn antwoord was simpel. ‘Sorry, meneer de president, die banen komen nooit meer terug. Het gaat niet om een fabriek die je zou kunnen verplaatsen, maar om een infrastructuur.’ De infrastructuur die talent en ondernemerschap samenbindt, zoals dat in Eindhoven gebeurt of in Twente.

En waar Nederland hard aan verder moet werken. Laten we er samen de schouders onder zetten!

dinsdag, maart 27, 2012

HCA filmpje over onderwijs en bedrijfsleven

http://www.hca-agrofoodtuinbouw.nl/

vrijdag, maart 16, 2012

Wet werken naar vermogen moet 2 miljard besparen (maart 2012)

Spannende weken voor het kabinet.

De komende tijd moet de Wet werken naar vermogen, en daarmee een gecalculeerde bezuiniging van twee miljard euro, door de Tweede Kamer.
Volgens staatssecretaris Paul de Krom staan er nog ongeveer een half miljoen mensen langs die lijn die prima aan het werk kunnen. “Iedereen die kan werken, moet aan de slag”, is het adagium van De Krom. Ook veel jongeren in de Wajong kunnen aan de bak met een reguliere baan. De Wajong, de Wet sociale werkvoorzieningen, de bijstand en de leer-werkregeling voor jongeren worden dan ook samengevoegd in de nieuwe, meer activerende wet.

Werken
Vakbond Abvakabo FNV ziet het anders, organiseert manifestaties. Er moet geld bij. Dit gaat niet werken, zegt de bond. De bedoeling is dat mensen vanaf 2013 bij gemeenten aan de balie komen voor een uitkering, maar wel (deels) kunnen werken dat ook daadwerkelijk gaan doen. Het zijn krappe tijden. Iedereen moet een steen of steentje bijdragen. De vakbond denkt echter dat werkgevers niet staan te springen om werknemers die niet volledig inzetbaar zijn.
In dit geval heeft de bond wel een punt. Van loondispensatie werd meer verwacht dan blijkt uit de pilots waarvan de resultaten gisteren bekend werden. De vrees bestaat dat mensen in sociale werkplaatsen veroordeeld worden tot een uitkering.

Divosa
Ook René Paas, directeur van de vereniging van sociale diensten, is huiverig voor de nieuwe wet. Het grootste punt van kritiek: dit loont niet voor gemeenten. De juiste prikkels ontbreken. “Werkzoekenden gaan er in alle gevallen op vooruit. Zelfs als het loon tijdelijk onder het wettelijk minimumloon ligt”, stelt Paas. “Niet alleen in materiële zin. Ervaringen met WorkFirst leren dat de meeste mensen het uiteindelijk plezierig vinden weer een rol in de samenleving te hebben.”
Ook werkgevers hebben niet te klagen, ziet de directeur van Divosa. “Voor werkgevers geldt dat zij niet meer aan een medewerker hoeven te betalen dan wat hij of zij in de praktijk voor zijn baas kan terugverdienen. Loondispensatie maakt dit mogelijk, mits de noodzakelijke begeleidingskosten in mindering worden gebracht op de loonwaarde. Het is onduidelijk of het huidige wetsvoorstel dit toestaat.”

Gemeenten
Voor gemeenten is het een heel ander verhaal. “Wanneer de bekostigingssystematiek er toe leidt dat gemeenten het uitkeringsgeld dat ze door werken naar vermogen uitsparen na een jaar kwijt zijn, worden bemiddelingskosten niet terugverdiend”, zegt Paas. “Als werkgevers ‘no-risk arrangementen’ als voorwaarde stellen om mensen met slechte kansen op de arbeidsmarkt een kans te bieden, zijn de risico’s nog groter.” En ja, die sociale werkplaatsen slokken bijna al het budget op.
Meer geld en het vereenvoudigen van de wet moeten soelaas bieden. De toelatingstoets is overbodig, zegt Paas namens de sociale diensten. Divosa verwacht geen wonder van de wet en vraagt het kabinet datzelfde te doen.

zaterdag, februari 11, 2012

Relevant rapport

Mickey Folkeringa, Douwe Grijpstra, Peter de Klaver, Wim Verhoeven

Arbeidsmarktinformatiebronnen

De inhoud, kwaliteit en bruikbaarheid op regionaal niveau van arbeidsmarktinformatiebronnen.

Onderzoek uitgevoerd door Research voor Beleid in opdracht van de Raad voor Werk en Inkomen

De Raad voor Werk en Inkomen is het overlegorgaan en expertisecentrum van werkgevers, werknemers en gemeenten. De RWI doet voorstellen aan de regering en andere partijen over het brede terrein van werk en inkomen. Doel van deze voorstellen is een goed functionerende arbeidsmarkt te bevorderen. Het vergroten van de transparantie van en het verbeteren van de kwaliteit op de re-integratiemarkt behoren eveneens tot de kerntaken van de RWI.

Januari 2012

This is the first day of the rest of your life