vrijdag, december 09, 2016

Multifunctionele daken

In 2025 woont 70% van de wereldbevolking in steden en is de wereld in de maand juni al door haar jaarlijkse hoeveelheid natuurlijke grondstoffen heen.

Dat is geen combinatie die zorgt voor een duurzame en leefbare omgeving voor de 8 miljard mensen die onze wereldbol dan rijk is.

Innoveren is noodzakelijk en innoveren kun je alleen maar doen als overheid, bedrijfsleven, bewoners en universiteiten samenwerken om CO2 uitstoot te reduceren door klimaatadaptieve, fijnstof-afvangende en cradle-to-cradle oplossingen te implementeren.

Dit is niet alleen noodzakelijk voor de stedelijke leefbaarheid maar biedt een economische kans voor aantrekkelijke business cases.

Door met een nieuwe bril naar het stedelijk dak te kijken worden er nieuwe kansen zichtbaar meer groen, minder CO2-uitstoot, een betere lokale luchtkwaliteit en een effectieve aanpak van wateroverlast. 

De mensen die het initiatief hebben genomen voor Multifunctionele Daken vormen een nieuw netwerk van actieve doeners die werkzaam zijn bij publieke en private organisaties.

Vanuit hun professionele scope zijn ze ervaringsdeskundige in het realiseren van beleid, doen van onderzoek, ontwikkeling van kennis en realisatie van duurzame daken.

De initiatiefnemers werken als gelijkwaardige partners met maar een doel:

Via een combinatie van groene-, gele-, rode en blauwe oplossingen de versteende stad veranderen in een leefbare metropool van de toekomst.

Een levendige stad opgewassen tegen klimaatveranderingen.

http://www.multifunctioneledaken.nl/over-ons/kennisdocumenten

https://www.youtube.com/watch?v=cqMF1-jRYK8

https://www.youtube.com/watch?v=-A3sCqCpRww

vrijdag, maart 11, 2016

dinsdag, april 08, 2014

CHEMProjects

Uniek in Nederland: leerlingmonteurs gemotiveerd en op maat opgeleid voor bedrijven

De techniekbranche in Nederland schreeuwt om jonge, goed opgeleide vakkrachten. Bedrijven weten niet hoe ze de jaarlijkse uitstroom van werknemers die de branche verlaten aan moeten vullen met leerlingmonteurs.

Daar is nu een unieke oplossing voor: werkloze jongeren worden mentaal sterk gemotiveerd, op maat opgeleid en met een eigen mentor c.q. leermeester een gegarandeerde baan met een mooie toekomst geboden in de techniek.

Het initiatief van CHEMProjects wordt omarmd door bedrijven en de vakvereniging.
‘’ Wij zijn bezig de MTS nieuw leven in te blazen.’’

De arbeidsmarkt zit te springen om jonge mensen die een vak binnen de techniekbranche willen leren. Alleen al in de koeltechniek is er een jaarlijks tekort van 400 monteurs. Werknemers die de koeltechniek verlaten kunnen niet worden vervangen door voldoende goed opgeleide jonge monteurs die direct aan de slag kunnen binnen een bedrijf. ,,Terwijl gigantisch veel jongeren tussen 16 en 23 jaar thuis zitten zonder doel of toekomstperspectief.

Daar hebben wij een oplossing voor gevonden. Wij leren die jongeren intern het vak, op zo’n manier dat ze per direct operationeel inzetbaar zijn op de werkvloer,’’ zeggen Paul Heinerman en Wubbo van der Roest van CHEM-Projects, de tak van CHEMGroep BV in de Rotterdamse Botlek die leer- en werktrajecten aan biedt.

Mental attitude
Het opleiden van nieuwe technici gebeurt vervolgens op een unieke manier: naast hun basisopleiding wordt vakspecifieke vaardigheden geleerd in het opleidingscentrum van de CHEMGroep aan de Neckarweg in het Rotterdamse Botlekgebied.

Opvallend is dat daar gewerkt wordt aan hun ‘mental attitude’: ze worden op een bijzondere manier getraind en gemotiveerd om het beste uit zichzelf te halen. ,,Wij testen eerst uitvoerig op competenties, vaardigheden en hebben eventueel nog zo’n 80 andere tests in samenwerking met business partners als Schouten & Nelissen.

Zo ontstaat een beeld van die jongen en we zetten die jongeren vervolgens in hun kracht met een specifiek coachings- en begeleidingstraject. Alles wat je aandacht geeft wordt groter. Daardoor ook hun motivatie en dat is blijvend,’’ zegt Heinerman, die eerder verantwoordelijk was voor coachings- en veranderingstrajecten bij verschillende multinationals.

Leermeester
Na een aantal weken wordt de leerlingmonteur kant en klaar afgeleverd in een bedrijf dat tevoren heeft aangegeven een aantal nieuwe monteurs af te willen nemen. Een eigen leermeester van CHEMProjects geeft ze vervolgens een jaar lang, 24 uur per dag, persoonlijke begeleiding.
‘’ Bedrijven hebben vaak geen tijd om een ervaren vakkracht vrij te maken om de leerlingmonteur aan de hand te nemen en vraagstukken op te lossen. Dat doen wij dus zelf,’’ zegt Heinerman.
Inmiddels wordt ook gepraat met ROC’s, en de wat grotere gemeentes over het opleidings- en stagetraject. ,,We zijn de MTS nieuw leven aan het inblazen.’’ Van der Roest: ,,Iedereen in de markt schreeuwt dat ze geen personeel kunnen vinden. Daar hebben wij dus wat aan gedaan.’’ Op een manier die volgens Van der Roest voor bedrijven bovendien interessant is, omdat CHEMProjects erin slaagt het uurtarief voor deze jongeren onder de 23 jaar normaliter onder de 20 euro te houden.

Pilotproject
Het initiatief van CHEMProjects heeft grote belangstelling gewekt bij bedrijven, zodat binnenkort het pilotproject start voor de opleiding van de eerste jongeren tot koelmonteur, die als ze klaar zijn, gegarandeerd een baan hebben. ,,Niet het makkelijkste vak om te leren,’’ zegt Van der Roest, die zelf ooit het Skidome in Dubai van koelsystemen heeft voorzien.

Het opleidingstraject bestaat uit de basiscursus koudetechniek en de certificeringen voor hardsolderen, F-gassen, VCA en de mentale training BMS. De pilot wordt omarmd door de Nederlandse Vakvereniging voor Koude- en Luchttechniek NVKL, die CHEMProjects en van der Roest en Heinerman direct tot ‘ambassadeurs’ van de vakvereniging uitriep.

Chemprojects richt zich op opleidings- en leer- en werktrajecten in zeven branches:
-het haven-bedrijf,
-grond-weg en waterbouw,
-de bouw,
-transport en logistiek,
-metaal en industrie,
-de safety-branche
-en de tak afval en milieu.

Van der Roest: ‘’Als een bedrijf zich bij ons meldt, stemmen we het opleidingstraject af op hun wensen. We zijn in staat een complete technische afdeling van een bedrijf
geheel te vernieuwen.’’

http://www.chemgroep.nl/nieuws/chemprojects-levert-bijdrage-aan-oplossen-jeugdwerkloosheid

zaterdag, maart 15, 2014

iMaintain 2014, het jaarcongres van de NVDO en iMaintain

http://congres.i-maintain.nl/

maandag, oktober 14, 2013

Advies Denktank Technologieroute

Donderdag 5 september 2013
De Denktank Technologieroute, onder leiding van Max Hoefeijzers, heeft zijn advies over de Technologieroute vmbo - mbo opgeleverd. Als eindproduct heeft de Denktank het formuleren van een beschrijving van de Technologieroute op een viertal punten nagestreefd: 1. context/omgevingsbeschrijving, 2. de alignment van motivaties, 3. een modelbeschrijving, en 4. aanbevelingen over het vervolgproces.
Download het advies

Bevindingen/aanbevelingen van de Denktank over de Technologieroute zijn onder andere:
- Loopbaanoriëntatie en -begeleiding is het fundament van de Technologieroute, de basis zal gelegd moeten worden in Wetenschap en Techniek in de onderbouw.
- Kansrijk is het inzetten van Technologie als (examen)vak.
- Schoolontwikkeling en professionalisering van docenten zijn essentieel om de Technologieroute succesvol in te zetten.

Vervolg
Toptechniek in bedrijf bespreekt het advies met belangrijke stakeholders en opdrachtgever het ministerie van OCW. Op basis van deze gesprekken wordt gekeken naar het vervolg. Omdat veel regio’s bezig zijn met het ontwikkelen van de Technologieroute en mogelijk hierbij gebruik kunnen maken van de bevindingen van de Denktank, is een verkorte versie van het rapport op de website geplaatst. Over de vervolgstappen volgt zo spoedig mogelijk meer informatie.

Over de denktank
Omdat in veel Toptechniekregio’s de ontwikkeling van de Technologieroute nog in de kinderschoenen staat, is er als vervolg op de conferentie over de Technologieroute afgelopen april een denktank onder leiding van Max Hoefeijzers ingesteld. De denktank Technologieroute had tot taak om, in het licht van het Techniekpact en de grote diversiteit aan bestaande initiatieven, te komen tot een overzicht van succesvolle regionale initiatieven, de identificeerbare overeenkomsten tussen die voorstellen, alsmede een beknopt procesvoorstel voor de verdere ontwikkeling en begeleiding van de Technologieroute gedurende het cursusjaar 2013-2014.

http://toptechniekinbedrijf.nl/

dinsdag, juni 04, 2013

Technici: mobiel en toch honkvast

Publicatienummer: 2013-08
Auteurs: E. Berkhout, P. Bisschop, M. Volkerink
Opdrachtgever: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Uitgever: SEO Economisch Onderzoek
ISBN: 978-90-6733-689-5

De sector techniek vreest een nijpend tekort. Uit dit onderzoek blijkt dat niet zozeer de uitstroom van personeel het probleem is, maar dat een grote groep technisch gediplomeerden al direct na afstuderen kiest voor een baan buiten de techniek.

De omvang van het ‘tekort’ is niet eenvoudig vast te stellen. Het veelgenoemde getal van 155 duizend personen berust op een onzorgvuldige interpretatie. De verwachte instroom vanuit onderwijs schiet structureel tekort ten opzichte van de verwachte baanopeningen. Maar niet alleen schoolverlaters vullen deze vacatures in. Veel vacatures worden ingevuld door werkenden uit andere banen of uit werkloosheid. Daarnaast kent de arbeidsmarkt nog andere aanpassingsmechanismen om tekorten op te lossen: hogere lonen, aantrekken van buitenlandse werknemers, arbeidsbesparende technologieën of een andere organisatie van arbeid op de werkvloer. Ook zijn er grote verschillen naar opleidingsniveau: er lijkt vooral sprake te zijn van een schaarste aan laag- en middelbaar technisch geschoolden.

Er is niet één enkele oorzaak voor het tekort aan technici. Veelal wordt gewezen op een dalende uitstroom uit onderwijs, maar dat is slechts een halve waarheid. Inderdaad, het aandeel techniekstudenten (en gediplomeerden) is afgenomen. Dit komt vooral door een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen die traditioneel minder vaak voor techniek kiezen. In absolute aantallen is het beeld minder dramatisch, het aantal technisch gediplomeerden is niet gedaald. Op mbo- en wo-niveau is zelfs sprake van een stijging. Er lijkt echter een belangrijk lek te zitten in de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt. Slechts de helft van de gediplomeerde technici werkt in een technisch beroep, hogeropgeleiden zelfs nog minder.

Er lijkt geen sprake van een grote uittocht van technici. Zowel in de techniek als daarbuiten wisselt elk jaar ongeveer 10 procent van de werkenden van werkgever. Een gedeelte daarvan is onvrijwillig. Maar er is een belangrijk verschil tussen ‘personeel in de techniek’ en ‘technisch personeel’. De mobiliteit is veel groter onder personen uit de technische sector die in niet-technische beroepen werken, terwijl de ‘echte’ technici, met een technisch beroep, juist veel honkvaster zijn. Het verhaal dat men in de techniek moeite heeft om zijn personeel vast te houden, geldt dus alléén voor het ondersteunend personeel in met name economisch-administratieve functies.

Van alle werknemers in de techniek werkt gemiddeld 86 procent een jaar later nog steeds bij dezelfde baas. Dat is meer dan in de niet-technische sectoren. De meeste baanwisselaars blijven behouden voor de techniek, slechts 2,5 procent van de werknemers vertrok vrijwillig naar een werkgever buiten de techniek. Wel kampt de sector met een iets hogere uitstroom naar inactiviteit onder 55-plussers en een lagere instroom van jongeren, herintreders en werklozen.

De belangrijkste reden om de techniek te verruilen voor een andere sector is het gebrek aan flexibiliteit in werktijden, in combinatie met de wens om minder uren willen werken. Techniekverlaters waren in hun oude baan relatief ontevreden over de mogelijkheden om hun werktijden af te stemmen op hun wensen. In hun nieuwe baan werken zij vaak minder uren. Voor jongeren is ook het carrièreperspectief een belangrijke vertrekreden. Het belang van salaris als motief om de sector te verlaten salaris wordt door werkgevers in de techniek overschat.

donderdag, mei 16, 2013

Onderontwikkelde Nederlandse ambachtscultuur

Hoogleraar Klamer bepleit meer waardering ambachtelijk werk
Rotterdam, 14 mei 2013 –
De Nederlandse samenleving gaat onverschillig om met de ambachtseconomie. Ambachtelijke onderwijs is ondergewaardeerd en vakopleidingen worden bedreigd. De ontwikkeling van vakmanschap in Nederland wordt belemmerd door gebrek aan middelen, infrastructuur en een onderontwikkelde ambachtscultuur. Deze conclusies trekt Arjo Klamer. De hoogleraar culturele economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam deed, in opdracht van het Hoofdbedrijfschap Ambachten, internationaal vergelijkend onderzoek in o.a. Nederland, Italië, Japan, Duitsland en Engeland. HBA voorzitter Elrie Bakker ontving, tijdens het symposium ‘Lang leve het ambacht’, uit handen van Klamer de resultaten en een pleidooi voor de ontwikkeling van de ambachtscultuur in Nederland.

Elrie Bakker: “Dit rapport komt op een cruciaal moment. De Nederlandse ambachtseconomie staat voor complexe uitdagingen op het gebied van infrastructuur, onderwijs en arbeidsmarkt.” Dat erkent ook het kabinet dat niet voor niets een adviesaanvraag heeft ingediend bij de SER over de toekomst van de ambachtseconomie.” Het dreigende tekort op korte termijn aan 250.000 vakmensen maakt de ambachtseconomie extra kwetsbaar en is volgens Elrie Bakker een belangrijke reden om nu snel gezamenlijk in actie te komen. “Samen moeten we inzetten op de herwaardering van het ambacht. Ambachten dragen bij aan de kwaliteit van producten, van werk en van leven en zijn onmisbaar voor de samenleving.”

Volgens Arjo Klamer is de ambachtseconomie behalve van essentieel belang voor de kwaliteit van leven ook van groot belang voor innovatie en duurzaamheid en van toegevoegde waarde voor de kenniseconomie. “In een ambachtscultuur krijgen niet alleen de slimme jongens en meisjes waardering, maar ook zij die slim zijn met hun handen. Ambachtscultuur gaat over de waardering van ambachtelijk werk. De economie van de toekomst zal veel meer gaan over kwaliteit in plaats van over winst, marges en het bruto binnenlands product. Bij de politiek, bestuurders en het grote publiek. Consumenten zijn zich nauwelijks bewust van de waarde(n) van ambachtelijk werk. Nederland kan leren van Duitsland waar de waardering voor het Handwerk sterk ontwikkeld is en een Duitse Meister een autoriteit en inspirator is voor jonge, ambitieuze vaklieden. De ambachtelijke sector opereert in Duitsland ook veel zelfbewuster met een stevige organisatorische infrastructuur.”

Het ambacht bij de buren
Voor het congres ‘Lang Leve het Ambacht’ maakte voormalig Duitsland correspondent Margriet Brandsma een reportage over de waardering van de ambachtseconomie in Duitsland. Excellerende Duitse vaklieden worden tijdens groots opgezette Meisterfeiers in de schijnwerpers gezet in aanwezigheid van politieke hoogwaardigheidsbekleders.

Peer Steinbrück, kanselierskandidaat voor de SPD, die het de komende verkiezingen zal opnemen tegen bondskanselier Angela Merkel, noemde onlangs in Düsseldorf de ambachtseconomie in Duitsland “de ruggengraat van de economie”. “Het is een van de dragende zuilen, omdat het door de eeuwen heen altijd koos voor modernisering en nieuwe technologie. Het speelt zowel in het opleidingssysteem als binnen het midden- en kleinbedrijf een enorme rol.” Volgens Steinbrück kan het duale systeem, dat voor aanzien van de ambachtseconomie in Duitsland heeft gezorgd, niet via een revolutie of “oerknal” worden overgenomen door bijvoorbeeld Nederland. “Maar met het oog op werkgelegenheid voor jongeren kan een goede combinatie van georganiseerd werken en leren op de werkplek wel een belangrijk start maken. De ambachtseconomie biedt jonge vrouwen en mannen een opleiding en een beroep.”

De reportage over de ambachtseconomie in Duitsland is via onderstaande link te bekijken:
http://www.youtube.com/watch?v=A7ZPcaS007I

Centrum voor Ambachtseconomie
Het Hoofdbedrijfschap Ambachten houdt eind 2013 op te bestaan. Samen met MKB Nederland onderzoekt het HBA de mogelijkheden voor het inrichten van een facilitaire organisatie voor de ambachten met als werktitel Centrum voor Ambachtseconomie. Elrie Bakker: “Kleine ambachtelijke branches en bedrijven hebben behoefte aan een ondersteunende facilitaire organisatie. Zij missen immers de slagkracht, de capaciteit, de kennis, de middelen en de infrastructuur om op eigen kracht hun branche en de kwaliteit van vakmanschap en ondernemerschap te borgen. Het midden- en kleinbedrijf in het ambacht is kwetsbaar, maar zeker niet zielig. Het Centrum voor Ambachtseconomie zou een stimulerende rol op zich kunnen nemen. Publieke en private partijen moeten de handen ineen slaan voor een toekomstbestendige ambachtseconomie.”

Over het HBAHet Hoofdbedrijfschap Ambachten vertegenwoordigt 36 ambachtelijke branches die samen werk bieden aan meer dan 300.000 mensen. Het HBA stimuleert, in nauwe samenwerking met betrokken brancheorganisaties en bonden, het vakmanschap en ondernemerschap in de aangesloten branches en wil de ambachten en de ambachtseconomie blijvend positief op de kaart zetten.

Voor nadere informatie:

Het pleidooi voor de ontwikkeling van een ambachtscultuur in Nederland is te verkrijgen bij het HBA. Het pleidooi voor de ontwikkeling van een ambachtscultuur in Nederland is bijgesloten bij dit persbericht. De reportage is beschikbaar voor (online) media: http://www.youtube.com/watch?v=A7ZPcaS007I

dinsdag, mei 14, 2013

maandag, mei 13, 2013

Techniekpact

NATIONAAL TECHNIEKPACT 2020

Nederland telt mee in de wereld. Als het gaat om concurrentiekracht, innovatie en wetenschappelijk onderzoek behoren we internationaal gezien nog steeds tot de top, ondanks de economische tegenwind. Die uitstekende positie hebben we te danken aan onze goed opgeleide beroepsbevolking.
Nederland wil graag mee blijven doen in de top, maar dit vraagt om voldoende slimme en vakbekwame technici. Want of het nu gaat om zorg, energievoorziening, bouw en industrie, ICT, voedselproductie of onze mainports: technologie is niet weg te denken.

MEER TECHNICI NODIG

Tot 2020 gaan er jaarlijks meer dan 70.000 bouwvakkers, installateurs, elektrotechnici, metaalbewerkers, ingenieurs en systeemanalisten met pensioen. Het onderwijs levert elk jaar weer tienduizenden vakbekwame technici af om hun plaats in te nemen. Maar dat is niet genoeg. Om te kunnen blijven concurreren met het buitenland en om marktkansen te benutten heeft Nederland meer goed opgeleide technici nodig. Op alle niveaus, want bedrijven in kansrijke sectoren als energie, tuinbouw, chemie en life sciences & health hebben duizenden uitdagende banen voor zowel praktische mbo-ers als universitaire toponderzoekers.
De afgelopen jaren zijn in regio’s en topsectoren al veel waardevolle initiatieven gestart, zoals de Oefenfabriek in Brielle, het Technum in Vlissingen en het Groningse Seaports Xperience Center. Nu is uitbreiding en versnelling nodig. Daarom sluiten wij gezamenlijk dit Techniekpact.

Ondanks alle bestaande initiatieven en plannen neemt het aantal technici niet snel genoeg toe. Uit analyses van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) blijkt dat op termijn jaarlijks 30.000 extra technici nodig zijn om in de groeiende behoefte aan technisch personeel te voorzien. Dat vraagt om extra inspanningen. Onderwijsinstellingen, werkgevers, werknemers, jongeren, topsectoren, regio’s en Rijk hebben daarom een nationaal Techniekpact gesloten. Het Techniekpact verenigt de ambities uit de bestaande plannen en initiatieven, maar wil die sneller (in 2020) en met meer daadkracht realiseren.
Om dat te bereiken zet het Techniekpact in op drie actielijnen met als horizon 2020:
• Kiezen voor techniek: meer leerlingen kiezen voor een techniekopleiding.
• Leren in de techniek: meer leerlingen en studenten met een technisch diploma gaan ook aan de slag in een technische baan.
• Werken in de techniek: mensen die werken in de techniek behouden voor de techniek, en mensen met een technische achtergrond die met ontslag bedreigd worden of al langs de kant staan elders inzetten in de techniek.

TECHNIEKPACT DE UITGANGSPUNTEN VAN TECHNIEKPACT

Techniekpact kent drie uitgangspunten:
-Implementatie binnen regio’s en sectoren is doorslaggevend voor succes. Het Techniekpact bevat (landelijke) afspraken die regio’s, technische sectoren en (top)sectoren ondersteunen bij het realiseren van de eigen doelen.
-Samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en werknemers is de sleutel voor aantrekkelijk techniekonderwijs dat naadloos aansluit op de arbeidsmarkt. Het bedrijfsleven, de werkgevers, de werknemers, het onderwijs (publiek en privaat), scholieren en studenten, regio en Rijk, leveren ieder hun eigen bijdrage aan het Techniekpact.
-Techniekonderwijs over de volle breedte vormt het fundament voor een gezonde arbeidsmarkt voor technici. Het pact richt zich op basisonderwijs, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs, hoger onderwijs en scholing van werkenden.

Het Techniekpact hanteert het begrip techniek in brede zin, zodat ook de domeinen technologie en bètawetenschappen er onder vallen. Het Techniekpact sluit aan bij de reikwijdte van het Masterplan Bèta en Technologie. Het Masterplan duidt technici als mensen die één of meerdere technieken “praktisch” of reëel gebruiken. Zij werken bijvoorbeeld als laborant, onderzoeker, instrumentenmaker, ICT-er, werkvoorbereider, industrieel (creatief) ontwerper, loodgieter, ingenieur, operator of analist. Zij hebben de technische kennis om apparaten te bouwen en installaties te onderhouden. Zij houden technische systemen draaiende en ontwikkelen en implementeren nieuwe technologieën. Zij zoeken naar nieuwe wetenschappelijke kennis. Zij kunnen combinaties maken tussen disciplines (bèta-bèta en bèta-gamma) en kennis en technologie vertalen naar zinvolle innovaties op uiteenlopende terreinen, zoals zorg, voeding, energie en ICT.

TECHNIEK, TECHNOLOGIE, TECHNICI? GEVOLGEN VAN KRAPTE OP DE ARBEIDS-MARKT VAN TECHNICI

De komende jaren loopt het tekort aan goed opgeleide technici op. Daar zijn verschillende oorzaken voor. Zo verlaat een grote groep oudere werknemers de arbeidsmarkt, en kiezen daarnaast te weinig jongeren voor een technische opleiding. Bovendien komen te weinig jongeren na een technische opleiding daadwerkelijk in een technische baan terecht. Door intensievere betrokkenheid van het bedrijfsleven, stages, vakkrachten voor de klas en het beschikbaar stellen van machines voor het beroepsonderwijs, kan de kwaliteit van het onderwijs verder omhoog. Ook staan er nog werknemers met een technische achtergrond langs de kant, of dreigen langs de kant te komen staan. Terwijl de vraag naar technici in bepaalde sectoren het aanbod overtreft. Dit is economisch niet houdbaar en sociaal onaanvaardbaar.
Door de krapte op de arbeidsmarkt in bepaalde technische sectoren is instroom van buitenlandse werknemers noodzakelijk. Maar dat biedt maar beperkt soelaas. Ook kan krapte leiden tot stijgende lonen. Dat maakt het weliswaar aantrekkelijker om in de techniek te werken, maar hogere loonkosten kunnen leiden tot verslechtering van de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven en verplaatsing van economische bedrijvigheid naar andere landen. Ook wordt Nederland dan minder aantrekkelijk als vestigingslocatie, waardoor buitenlandse investeringen kunnen afnemen. Dit alles vormt een bedreiging voor het vinden van innovatieve oplossingen voor vraagstukken rond bijvoorbeeld energievoorziening, voedselproductie en duurzaamheid. Ook de groeiambities van het Nederlandse bedrijfsleven, en daarmee ook de economische groei in Nederland, komen hierdoor onder druk.

Veel jongeren kiezen niet voor techniek omdat ze geen duidelijk beeld hebben van wat ‘technologie’ of ‘techniek’ is. Vaak hebben ze vooroordelen: techniek is saai, moeilijk, ingewikkeld, of je krijgt er vieze handen van. Om dat onduidelijke beeld te veranderen zetten basisscholen, instellingen voor voortgezet onderwijs, en bedrijven zich de komende jaren in voor uitdagend techniekonderwijs voor alle jongeren van 4 tot 18 jaar. Leerlingen moeten weer enthousiast worden voor techniek en technologie door hun nieuwsgierigheid te prikkelen en hen op een aansprekende manier het belang van techniek te laten zien. Techniekonderwijs moet leerlingen daarnaast mogelijkheden bieden om hun technische talenten en kwaliteiten te ontdekken en verder te ontplooien. De voorgenomen activiteiten richten zich niet alleen op de jongeren zelf, maar ook op de ouders. Die spelen immers een cruciale rol in het keuzeproces. Om jongeren inspirerend techniekonderwijs te bieden zijn deskundige docenten met kennis van het bedrijfsleven cruciaal. Een belangrijk aandachtspunt is daarom het opleiden en bijscholen van huidige en toekomstige docenten.

KIEZEN VOOR TECHNIEK? LEREN IN DE TECHNIEK

Jongeren die kiezen voor een technische opleiding moeten gemotiveerd blijven om die af te maken. Maar het is zeker zo belangrijk dat, wanneer ze hun opleiding afgerond hebben, ook kiezen voor een baan in de techniek. Daarom zet het Techniekpact stevig in op het versterken van het technisch beroepsonderwijs. De nadruk ligt op intensievere samenwerking van opleidingen met het bedrijfsleven. De kwaliteit en de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt staat of valt namelijk met de betrokkenheid van het bedrijfsleven en een goede praktijkcomponent in het beroepsonderwijs.
Nederland heeft ook excellent universitair talent nodig. Voor Nederlandse studenten staan daarbij de seinen op groen: de instroom aan universiteiten van studenten in bèta- en technische opleidingen is tussen 2000 en 2010 gestegen met bijna 75%. Die van meisjes zelfs met bijna 135%. Als het gaat om universitaire opleidingen zijn onder andere de ambitieuze afspraken van belang, die de drie technische universiteiten in het sectorplan Technologie hebben gemaakt over het opleiden van voldoende en hoogwaardige ingenieurs, technisch ontwerpers en onderzoekers. Daarnaast wil het Techniekpact ook kansen benutten om meer internationale studenten aan te trekken en te behouden. Nu kiest slechts 7% van de internationale studenten in Nederland voor een technische studie en blijft 27% na de studie in Nederland voor een eerste baan.

Veel jongeren kiezen niet voor techniek omdat ze geen duidelijk beeld hebben van wat ‘De technische sectoren en topsectoren zijn de meest dynamische sectoren van de economie. Technische ontwikkelingen volgen elkaar in hoog tempo op en economische groei en krimp hebben direct gevolgen voor de omzet van bedrijven. Deze dynamiek heeft ook grote gevolgen voor werknemers: kennis veroudert snel en bij economische neergang dreigt werkloosheid.

Dit betekent dat slimme investeringen nodig zijn om vakkrachten voor het bedrijf, voor de sector en voor de techniek te behouden. De maatregelen die sociale partners in de techniek samen met de Rijksoverheid en de regio’s voorstaan, zijn gericht op duurzame inzetbaarheid van medewerkers om hen op die manier zo lang mogelijk voor het bedrijf te behouden. En als dat niet lukt, te kijken naar mogelijkheden binnen de eigen sector, of binnen een andere technische sector.

WERKEN IN DE TECHNIEK WAT GEBEURT ER MET BESTAANDE INITIATIEVEN?
Het Techniekpact bouwt voort op bestaande analyses en plannen zoals het Masterplan Bèta en Technologie, sectorplannen Techniek in het mbo en hbo, regionale techniekpacten zoals Technologiepact Brainport, Techniekpact Haaglanden en Techniekpact Twente, en de Human Capital Agenda’s van de topsectoren.

Het Techniekpact is een gezamenlijk initiatief van de rijksoverheid, het georganiseerde bedrijfsleven, de vakbonden en het onderwijsveld en de regio’s. Deelnemers zijn de ministeries van EZ, OCW en SZW, VNO-NCW, MKB Nederland, FME, Metaalunie, de topsecoren, de technische branches, FNV, CNV, de PO-Raad, de VO-Raad, de MBO-Raad, de AOCRaad, Vereniging Hogescholen, VSNU, de 3TU.Federatie, de NRTO, Interstedelijk Studenten Overleg, de vijf landsdelen (Noord, Oost, Zuidoost, Zuidwestvleugel en Noordwestvleugel).

WIE ZIJN ERBIJ BETROKKEN? GOVERNANCE EN UITVOERING VAN HET TECHNIEK-PACT

Het zwaartepunt voor de uitvoering - en de sleutel voor succes - ligt in de regio’s. Daarom wordt die uitvoeringsstructuur primair vanuit de regio’s opgebouwd, aangevuld met afspraken over de uitvoering van maatregelen op landelijk niveau. De Landelijke Regiegroep Techniekpact coördineert, volgt en bewaakt de uitvoering van de landelijke strategie, de doelen en de gemaakte afspraken in het Techniekpact. De regiegroep is samengesteld uit vertegenwoordigers uit de vijf landsdelen, de Rijksoverheid, werkgevers, werknemers, topsectoren en onderwijs.

donderdag, mei 09, 2013

Spiegelbeeld

Spiegelbeeld is een online rolmodellendatabase met daarin ruim 1900 vrouwelijke professionals en studenten die werken of studeren in bèta, techniek en ict. Zij hebben samen met VHTO één doel: meer meisjes enthousiast maken voor bèta, techniek en ict.

http://www.spiegelbeeld.net/html/index.php

woensdag, mei 08, 2013

Advies wetenschap & technologie in het primair onderwijs

7 mei 2013

Op maandag 13 mei ontvangt Rinda den Besten, voorzitter PO-Raad, het advies van de verkenningscommissie wetenschap & technologie in het primair onderwijs. De PO-Raad heeft samen met het Platform BetaTechniek om dit advies gevraagd omdat wij constateerden dat de aandacht voor wetenschap & technologie in het primair onderwijs dreigt te verslappen. In dit advies is de nieuwsgierigheid en onderzoekende houding van leerlingen als aangrijpingspunt gekozen.

De verkenningscommissie bestaat uit deskundigen op het gebied van onderwijs en technologie, waaronder verschillende schoolbestuurders uit het primair onderwijs. De commissie staat onder voorzitterschap van Hans Clevers en Rein Willems.

De voorzitters van PO-Raad en Platform BetaTechniek zullen het advies vervolgens aanbieden aan staatssecretaris Sander Dekker van OCW. Daarnaast is de inhoud van het advies gebruikt bij het opstellen van een nationaal techniekpact, dat op 13 mei wordt ondertekend door 25 partners, waaronder de PO-Raad. De partners van overheid, onderwijs, bedrijfsleven en vakbonden gaan zich inzetten om bestaande en dreigende tekorten in de technologische sectoren te verminderen.

De PO-Raad vindt het belangrijk dat het primair onderwijs een rol speelt bij het versterken van de verwondering bij leerlingen: waarom is de wereld zoals zij is? Bij wetenschap & technologie in het primair onderwijs gaat het om ontdekkend leren, samen problemen oplossen, kritisch denken, ondernemingszin, creativiteit. Het is daarmee géén apart vak. Het gaat over een visie op onderwijs dat gekoppeld kan zijn aan alle andere vakken. Kortom: het gaat om verbinden, en niet om concurrentie om onderwijstijd binnen het toch al drukke programma op scholen.

maandag, mei 06, 2013

Talentenkracht

TalentenKracht is een onderzoekprogramma van zeven universiteiten. In dit programma wordt onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van talent bij jonge kinderen (3-14 jaar) binnen het domein van
wetenschap en techniek.

Wie goed kijkt naar peuters en kleuters, ziet verbazingwekkende talenten. Ze blijken een kei in logisch denken, het herkennen van patronen, het vinden van hun weg, de constructie van bouwwerken… Maar vooral: ze sprankelen in hun verwondering om en nieuwsgierigheid naar de wereld om hen heen. Hoe kunnen we deze talenten bij ieder kind zo goed mogelijk in beeld brengen, behouden en ontwikkelen? Daarover gaat het onderzoeksprogrammaTalentenKracht.

Over talent, begaafdheid en excellentie bij jonge kinderen is veel geschreven. Binnen het onderzoek van TalentenKracht wordt vanuit verschillende inzichten uit de wetenschap naar deze begrippen gekeken. Klassieke denkbeelden worden aangevuld met recentere bevindingen over talent en aanverwante concepten zoals gave, nieuwsgierigheid en interesse. De onderzoekers van TalentenKracht kijken specifiek naar talent van jonge kinderen voor wetenschap en techniek (W&T), en hoe leerkrachten en opvoeders dit talent kunnen bevorderen.
Aan het project werkt een grote groep wetenschappers mee vanuit verschillende achtergronden: pedagogiek, neuro- en ontwikkelingspsychologie, onderwijskunde, reken- en science-educatie en taalverwerving, om er enkele te noemen. Daarnaast zijn ouders, kinderopvang, scholen en vele andere partijen betrokken.

http://www.talentenkracht.nl/

maandag, april 15, 2013

Wiebe Draijer (SER voorzitter) over o.a. techniek

‘Studenten moeten de wereld in’
TU-alumnus Wiebe Draijer is sinds september 2012 voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, een belangrijk adviesorgaan van de regering. Dat hij flink veel salaris moest inleveren, deert hem niet. “Het is goed om een bijdrage te leveren aan het publieke domein.”

Collegezaal 2 bij de faculteit Werktuigbouwkunde, Maritieme Techniek en Technische Materiaalwetenschappen (3mE) zit zaterdagmiddag 23 maart tjokvol. Niet met studenten, maar met oud-studenten. Het is alumnidag en één van de sprekers is oud-werktuigbouwkundestudent Wiebe Draijer (47). Hij is sinds september 2012 voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (SER). Dit adviesorgaan zag zijn invloed onder Rutte I behoorlijk afnemen, maar mag nu weer volop meedenken over de uitwerking van kabinetsplannen.
Hij vertelt zijn toehoorders over zijn loopbaan en zijn huidige werk. “Mijn loopbaan lijkt een opeenstapeling van toevalligheden. Ik wilde journalist worden, maar een journalist zei me dat ik beter een vak kon leren. Toen ben ik deductief te werk gegaan. De studie werktuigbouw was de beste optie. En o ja, mijn vader had dat ook gedaan.” Gelach in de zaal.
Toen Draijer zeventien jaar was en in NRC Handelsblad een personeelsadvertentie zag voor een redacteur technologie, stuurde hij toch een brief, vertelt hij. “Iemand op de redactie dacht: die jongen heeft lef, laten we hem uitnodigen. Ik werd aangenomen. Tijdens de eerste twee jaar van mijn studie was ik vooral met die bijbaan bezig. Tot ik college kreeg van de pas overleden professor Okko Bosgra. Toen ging het fakkeltje aan. Ik viel als een blok voor de regeltechniek. Bosgra stond aan het front van een heel nieuwe regeltechnische ontwikkeling. Enorm inspirerend.”

Kamertje

Draijer studeerde af bij het Natlab van Philips. Het leverde hem twee octrooiaanvragen op voor onderdelen in de cd-speler. “Ik had iets bijgedragen. Dat was een goed gevoel. Maar tussen half acht ’s ochtends en half elf ’s avonds zat ik alleen in een kamertje te werken. Dat was niet mijn ding.”
Draijer bedacht een volgende carrièremove, maar het toeval wilde anders. “Ik was vastbesloten te gaan promoveren in Zweden. Ik was er zelfs al, maar mijn plannen liepen stuk op de financiering vanuit Nederland.” Hij ging niet bij de pakken neerzitten. In 1990 werd hij organisatieadviseur bij McKinsey, waar hij een aantal grote fusies en overnames heeft begeleid die hij nog steeds niet met naam vermeld wil hebben.
Draijer klom op en bracht het tot directeur Benelux. Hij vond toen al dat hij een bijdrage moest leveren aan de samenleving. Voordat dat plichtsbesef hem deed besluiten SER-voorzitter te worden, begon hij twaalf jaar geleden de website 21minuten.nl. Daarmee heeft Draijer de democratie ‘op zijn kop willen zetten’. “Het idee was dat iedereen grote maatschappelijke vraagstukken kan oplossen. Mensen blijken heel goed in het maken van een integrale afweging bij moeilijke beleidskeuzes, als ze maar op de hoogte zijn van oorzaken en gevolgen. Al in het begin van 21minuten.nl bleken mensen bijvoorbeeld bereid de hypotheekrenteaftrek los te laten.”
Toen Draijer werd gevraagd SER-voorzitter te worden, hoefde hij niet lang na te denken. Lachend: “Ik moest thuis even checken of het goed was dat mijn salaris aanzienlijk omlaag zou gaan.” Draijer krijgt bij de SER jaarlijks zo’n 140 duizend euro; tonnen minder dan bij McKinsey. Na een half uur bedenktijd zei hij ja. “Het is goed een bijdrage te leveren aan het publieke domein.”

Poldermodel
Draijers inhoudelijke verhaal klinkt hoopvol. Kritische noten verpakt hij vooral in praten over kansen. Scherpe bewoordingen passen niet bij de voorzitter van hét polderorgaan pur sang. In dat polderen gelooft hij heilig. “Alle grote doorbraken zijn daarop terug te voeren. Onze overlegeconomie is een fundamentele sterkte. Het duurt even, maar uiteindelijk zijn we twee keer zo snel als andere landen. Neem de pensioenleeftijd. Overal wordt nagedacht over verhoging, ook in Nederland is lang gepraat. Intussen stijgt de reële pensioenleeftijd nergens zo hard als hier: met een half jaar per jaar.” Draijer ziet wel dat het poldermodel onderhoud behoeft, vertelt hij de alumni. “We hebben te veel instituties en te weinig verbinding. We hebben verbinding nodig met de individuele Nederlander. Ik kan onderdeel zijn van de oplossing van dat probleem.”
Voor dit gehoor wil hij ook iets kwijt over de Nederlandse industrie. “Onze industrie heeft kracht als kennisconcurrent. Je kunt denken van internationale overnames van Nederlandse bedrijven wat je wilt, maar één ding laten ze heel goed zien: wij hebben kennis die anderen willen hebben en die we zelf kennelijk niet hebben kunnen benutten of vermarkten. Echt, onze kennisbasis is ongelooflijk sterk. Lukt het niet om die volledig uit te buiten, dan komt dat door een gebrek aan wil of ondersteuning in de vorm van goed beleid.”
Als voorbeeld noemt Draijer de barrières die bedrijven in Nederland tegenkomen bij het starten van duurzame projecten. “Dat is tranentrekkend. Neem Siemens. Dat kreeg na negen jaar een vergunning voor een offshore windpark. Toen bleek het bedrijf de turbines die in de aanvraag stonden niet eens meer te maken. De hele aanvraagprocedure kon opnieuw. We kunnen zoveel winnen met goed beleid. Nederland heeft altijd de brutaliteit gehad om ver boven zijn macht te reiken. Dat heeft ons ver gebracht.”

Sluipziekte

Na zijn lezing mogen de alumni Draijer vragen stellen. Iemand wil weten wat er volgens hem moet gebeuren om de lage waardering voor technische opleidingen en het tekort aan mensen in technische beroepen op te krikken. De SER-voorzitter wisselt zonder haperen van onderwerp. “Er zijn tachtigduizend mensen nodig in de hightechindustrie en we komen 150 duizend ambachtslui tekort. We moeten werken aan aantrekkelijkheid en aan verbinding met de arbeidsmarkt. Laat onderwijs en arbeidsmarkt dichter tegen elkaar aanschurken. Tegelijkertijd is er een sluipziekte ontstaan, die epidemische vormen krijgt. De schooluitval onder jongens is beschamend hoog. Dat komt door de feminisering van het onderwijs. Heel goed dat meisjes beter presteren, maar er moet ook aandacht zijn voor praktische onderwijsvormen, die over het algemeen meer bij jongens passen.”Als iemand anders Draijer vraagt waarom hij denkt dat veel grote infrastructurele projecten traag van de grond komen, heeft hij weer een analyse paraat. “Dat komt door inspraakprocedures en een gebrek aan betrokkenheid van individuen. Windmolenparken stuiten bijvoorbeeld op veel verzet. Laat mensen participeren, laat het ‘ons park’ worden. Leg beter uit waarom iets moet en versimpel waar nodig de procedures. Al moet inspraak niet overal verdwijnen; die heeft een belangrijke functie. We hebben vooral consistentie van beleid nodig, al is dat lastig met alle wisselingen van de wacht in Den Haag.”
Daarna gaan de oud-studenten uiteen, de campus op. Draijer pakt een in cellofaan gewikkeld broodje uit de overblijfselen van de lunch eerder die middag. Als hij net zit, spreekt een mede-alumnus hem aan. Volgens hem moet overlegland Nederland een list verzinnen om te kunnen concurreren met centraal geleide landen als China. Draijer blijft vaag: “De uitdaging is: hoe maak je plannen die tien jaar lang kunnen doorwerken, ook al treedt er om de twee jaar een nieuw kabinet aan.” De man neemt er genoegen mee en beent weer verder. Draijer neemt een hap van zijn broodje, dat druipt van de mosterdsaus.

U zei dat er meer techneuten nodig zijn. Maar veel ingenieurs kiezen voor niet-technische beroepen, u ook.

“Klopt. Het heeft even geduurd voordat mijn vader mijn overstap naar McKinsey accepteerde. Je moet mij niet meer aan de knoppen zetten, maar ik zal altijd in de buurt van de industrie blijven. Voor nu ben ik blij dat ik in de publieke sector zit. In Amerika is het heel gebruikelijk voor mensen uit de private sector om een paar jaar in de publieke sector te werken. Ik vind het enorm verrijkend. De mensen bij de SER zijn onwaarschijnlijk gemotiveerd en overtuigd van de overlegeconomie. Ze voldoen totaal niet aan het beeld dat het bedrijfsleven van hen heeft. Ze werken keihard.”

Wat hebt u nog aan uw opleiding?

“Ik werk met acht economen aan een analyse van wat er mis is met Nederland en hoe we dat kunnen oplossen. Ik kan daar inhoudelijk nog niks over zeggen. Maar als Delftenaar houd ik me staande door logische vragen te stellen en mijn boerenverstand te gebruiken. Ik maak me onderwerpen snel eigen.”

Als u wel had kunnen promoveren, was u nu hoogleraar geweest.

“Misschien, maar het liep anders. Veel van mijn keuzes ontstonden doordat mensen me kansen gaven. Zoals professor Bosgra, of de NRC-redacteur. Dat patroon heeft zich keer op keer herhaald.”

Zoiets heb je niet zelf in de hand.

“Meer dan je denkt. Pas als je je radar aan hebt staan, zie je de kansen. Op zo’n moment moet je er serieus op ingaan.”

De SER onderzoekt hoe keuzes tot stand komen. Wat valt daaruit te leren?

“We kijken naar studenten met allochtone ouders in relatie tot de ambachtseconomie. Het is fascinerend hoe keuzes gemaakt worden. Vaak blijken ze door ouders ingegeven, op basis van verouderde informatie. Er moet een gesprek gaan plaatsvinden over baankansen. Dat gebeurt te weinig. Natuurlijk moeten we de vrijheid van studiekeuze behouden, maar vaak is de motivatie zo diep als een surfplank.”

Hoe kijkt u naar de studenten van nu?

“Van alle Europese studenten gaan de Nederlandse het minst naar het buitenland. Dat past totaal niet bij ons als handelsland. Vraag je ze waarom ze dat niet doen, dan blijkt dat ze hier erg comfortabel zitten. Ze moeten de wereld in. Mijn oudste zoon is net begonnen met een hbo opleiding werktuigbouwkunde. Ik vind dat hij naar het buitenland moet. We kunnen onze welstand alleen houden als we een extreem open economie blijven.”

De SER kan de komende jaren meedenken over grote thema’s zoals de hervorming van de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de zorg en duurzaamheid. U komt op een goed moment.

“Ik zie veel kansen. We hebben een kabinet dat ons opzoekt, de vakbeweging zit weer aan de overlegtafel. We moeten er maximaal aan trekken; het is dankbaar werk. Het grote energie-akkoord waar we aan werken, biedt een vers perspectief op een breed gedragen plan voor een duurzaam Nederland. Of kijk naar de arbeidsmarkt. Hoe richten we die zo in dat die beter werkt? Dat moet over meer gaan dan alleen het ontslagrecht. We moeten verkennen hoe we mensen prikkels kunnen geven, zonder hun gevoel van zekerheid te ondermijnen. Al speelt dat minder bij jongere generaties. Die varen veel meer op hun eigen kompas en weten dat een vast contract voor het leven niet voor de toekomst is. Ook werken we aan een zorgadvies, dat gaat over preventie, werken in de zorg en verbeteringsprikkels. Meer kan ik er helaas nog niet over zeggen, want het overleg loopt nog.” Zo gaat dat in de polder.

http://www.ser.nl/nl/actueel/wiebe-draijer-over.aspx

vrijdag, april 12, 2013

Startbijeenkomst Toptechniek in bedrijf Rijnmond

Voor de startbijeenkomst 7 maart 2013 sloten experts van het Platform Bèta Techniek aan bij de reguliere vergadering van de werkgroep Programmalijn 1 Toptechniek in bedrijf. In deze werkgroep participeren (directeuren van) alle deelnemende vmbo- en mbo-instellingen, de gemeente Rotterdam, KMR en de Koninklijke Metaalunie. Tijdens de bijeenkomst staat het urgentiebesef centraal. Met het oppakken van gezamenlijke trajecten heeft men afgelopen tijd het vertrouwen van elkaar gewonnen. Het besef is er dat men samen de schouders eronder moet zetten om het tij te keren. Men is samen aan de slag om te zorgen voor toename van het aantal techniekleerlingen. Door de scholen wordt samengewerkt op inhoud, hierbij worden ouders en bedrijven (o.a. via TechNet) betrokken. Dat er meer perspectief is voor techniek in (v)mbo is evident in de regio. De huidige crisis helpt mee om leerlingen en hun ouders te laten kiezen voor studies en opleidingen met beroepsperspectief, zoals in de techniek. De ambitie in de regio is goed gespreid techniek- en technologie-onderwijs aanbieden in de volle breedte van het voortgezet onderwijs. Extra aandacht wordt daarbij besteed aan meisjes en allochtonen.

Een mooi voorbeeld van de uitwerking van de gezamenlijke aanpak, is dat onlangs collectief met een gemeenschappelijke boodschap een bezoek gebracht is aan een moskee. Voorheen zou dit een meer individueel traject van de scholen zijn geweest.

De volgende trajecten moeten de komende tijd leiden tot het realiseren van de prestatieafspraken:
- Schoolportfolio (als basis voor ontwikkelen doorlopende leerlijnen en opmaat voor macro-doelmatigheidsdiscussie)
- Werving/voorlichting (start in het basisonderwijs en vervolgens op ieder keuzemoment voor leerlingen, waarbij ook ouders en bedrijven worden betrokken)
- Professionalisering (nog beter techniekonderwijs en daarvoor docenten en onderwijsleiders meer en specifieker scholen, waarbij wordt aangesloten bij ontwikkelingen op de regionale arbeidsmarkt)
Mooie trajecten, waarbij de experts aanbevelen de bijdrage van de partners aan het realiseren van de prestatieafspraken vast te leggen, en zorg te dragen voor het inrichten van een stuurgroep die hierop kan sturen.

Zie http://www.toptechniekinbedrijf.nl

This is the first day of the rest of your life