zondag, mei 20, 2012

Beter Onderwijs Nederland

Uitgangspunten: Infrastructuur en doelstellingen van onderwijsinstellingen

De differentiatie van onderwijsinstellingen moet recht doen aan het feitelijke verschil in mogelijkheden en moeilijkheden die leerlingen of studenten hebben, afhankelijk van hun leertijd, talenten en interesses.
Dat betekent tevens dat er een differentiatie moet zijn in vakken die worden aangeboden en de vormen van onderwijs die daarbij horen.
Op de basisschool wordt een algemeen programma aangeboden dat in principe voor alle leerlingen gelijk is.
Leerlingen die niet in staat zijn dit programma op een minimum niveau te volgen, hebben recht op speciaal onderwijs.
Goede leerlingen wordt de mogelijkheid geboden meer te doen.
Na de basisschool volgt een onderwijsdifferentiatie waarin leerlingen met verschillende interesses en talenten tot hun recht kunnen komen.
Om onnodige frustraties en de verspilling van talent te voorkomen, worden uniforme programma’s zoals de basisvorming in het voortgezet onderwijs afgeschaft.

Het onderscheid tussen praktische en theoretische vaardigheden en tussen beroepsgerichte en (voorbereidend) wetenschappelijke opleidingen moet over de gehele linie van ons onderwijs worden erkend en zijn weerslag vinden in de inrichting van de verschillende opleidingen. Reguliere onderwijsinstellingen dienen in het teken te staan van een goede vakinhoudelijke en algemene vorming van leerlingen of studenten en hebben alleen binnen dat kader ook een opvoedende taak. Zij kunnen in die hoedanigheid niet de rol overnemen van andere opvoedende instanties, zoals de ouders.

De kwaliteit van onze opleidingen kan alleen omhoog wanneer op alle niveaus strengere en duidelijkere eisen worden gesteld dan momenteel het geval is. Daartoe dienen minimum toelatingseisen te worden gesteld aan instromers; een opleiding in het voorgezet onderwijs dient te worden afgesloten met een centraal examen, van buitenaf gecontroleerd.
Leraren en docenten dienen voldoende vakinhoudelijk opgeleid te zijn en aan onderwijzers op de basisschool dienen hoge eisen te worden gesteld met betrekking tot vakkennis en interesse voor kinderen.
Alle onderwijsinstellingen moeten primair worden bestuurd en beheerd door mensen uit de onderwijspraktijk, die, waar mogelijk, naast hun bestuurlijke taken onderwijs blijven verzorgen, teneinde de voeling met de praktijk en de solidariteit met de collega’s te behouden. De omvang van het management moet worden beperkt; veruit het grootste deel van het budget moet besteed worden aan het feitelijke onderwijs van leraren of docenten.
De directie moet zich realiseren dat haar werkzaamheden te allen tijde in dienst staan van het te verzorgen onderwijs en moet daar zo nodig ook op aangesproken kunnen worden. Het salaris voor bestuurlijke werkzaamheden moet in gepaste verhouding staan tot dat van de docenten en niet veel hoger zijn.

De financieringsverantwoordelijkheid voor onderwijsinstellingen moet terug naar de overheid. Daarmee heeft de overheid tevens de taak toe te zien op een juiste besteding van de toegekende middelen. Er moet een maximum worden gesteld aan de kosten voor ‘overhead’. Een nauwkeurige controle op de inrichting van de onderwijsinstellingen en de kwaliteit van het onderwijs door ambtenaren van de overheid is daartoe noodzakelijk. De kwaliteit van een opleiding mag echter niet beoordeeld worden in de vorm van procescontroles of aan de hand van rendementcijfers, maar dient te geschieden op basis van zowel kwantiteit als kwaliteit van de behaalde eindresultaten en wel in relatie tot het instroomniveau van de leerlingen of studenten.
Waar geen sprake is van centrale schoolexamens, geschiedt meting ex post, dat wil zeggen aan de hand van resultaten in de eerstvolgende onderwijsschakel of op de arbeidsmarkt; steeds in relatie tot vergelijkbare opleidingen. Premies op het aantrekken van zoveel mogelijk leerlingen, geschikt of ongeschikt, moeten worden afgeschaft.

Goed onderwijs is nooit mechanisch van aard maar vergt de persoonlijke betrokkenheid en inzet van alle partijen. Daarom dient een onderwijsinstelling overzichtelijk te zijn qua omvang, zodat leerlingen/studenten, docenten, onderwijsondersteunend personeel en directie elkaar kennen en tot op zekere hoogte met elkaar een eigen gemeenschap vormen.
Kleinschalige organisatievormen en korte bestuurlijke lijnen zijn daartoe een noodzakelijke voorwaarde. Bureaucratie wordt actief bestreden en dient binnen het gehele onderwijsveld te worden teruggebracht op het niveau van voor de schaalvergrotingen in de jaren tachtig en negentig.

De gezagsverhoudingen binnen een onderwijsinstelling moeten voor iedereen duidelijk zijn. Een onderwijsinstelling moet heldere regels hebben en duidelijke, consequente sancties opleggen aan degenen die deze regels overtreden, passend bij de leeftijd en positie van de persoon in kwestie.
Docenten en leraren moeten zich, binnen de grenzen van het redelijke, in hun optreden tegen lastige leerlingen gesteund weten door de directie. Leerlingen of studenten die zich hardnekkig weigeren te conformeren aan de regels en aanhoudend overlast veroorzaken, worden verwijderd van de onderwijsinstelling. Nimmer mag het imago van de school of de output bepalend worden voor de omgang met lastige of slecht presterende leerlingen of studenten.
Slechte evaluaties door studenten of lage slagingspercentages alleen zijn geen reden om het onderwijs inhoudelijk aan te passen. Alleen slecht onderwijs door de docent mag reden zijn in te grijpen in diens lespraktijk.
Doubleren moet op alle schoolniveaus een reële mogelijkheid zijn; het beslissingsrecht daarover berust primair bij de leraren en docenten en niet bij de directie. De overstap van leerlingen naar verschillende onderwijsniveaus moet worden vergemakkelijkt. Het moet mogelijk zijn een Mavo(=Vmbo-t)/Havo/Vwo-traject te doorlopen.
De onderwijsinstelling moet zichzelf als gemeenschap onderhouden door een redelijk aantal gezamenlijke activiteiten als muziek- en toneelavonden, sportdagen, feesten, scholingsbijeenkomsten e.d. te bevorderen naar gelang het soort onderwijsinstelling. Deze activiteiten mogen niet een zo prominente plaats innemen dat ze docenten of leerlingen belemmeren in het uitvoeren van hun eigenlijke taken.

Uitgangspunten: De leraar of docent

Docenten en leraren dienen gekwalificeerd en vakbekwaam te zijn en bezielend les te geven. Zij moeten daarom de ruimte krijgen om zich ook naast het lesgeven inhoudelijk met hun vak bezig te houden en zich daarin verder te verdiepen. Voorts dienen zij aandacht en interesse te hebben voor de leerlingen aan wie ze lesgeven, teneinde hun vak inspirerend te kunnen brengen (wat overigens niet wil zeggen dat het onderwijs altijd direct leuk gevonden moet worden).
Om de leraar of docent in staat te stellen zijn vak optimaal uit te oefenen, mag het aantal te geven lesuren en het aantal en de omvang van te onderwijzen klassen of groepen niet te groot worden. Salariëring moet beter en wel degelijk gedifferentieerd worden naar opleidingsniveau en schooltype; het als leraar bezitten of verkrijgen van een doctoraat (docent-WO) of doctoraalexamen (docent-Vwo/Havo/Hbo) dient te worden gestimuleerd en beloond.
De taken van een leraar of docent zijn zoveel mogelijk beperkt tot zijn eigenlijke werk, d.w.z. les of college geven, mentorschap, meebeslissen over het beleid van de onderwijsinstelling en de vaksectie en het uitdiepen van de eigen vakinhoudelijke kennis en didactische vaardigheden. Bestuurlijk en extern papierwerk moeten tot een minimum beperkt blijven.
De leraren en docenten dragen de eerste verantwoordelijkheid voor het vormen van leerlingen tot welopgeleide burgers en zij hebben een voorbeeldfunctie voor de leerlingen. Aangezien zij voor leerlingen en studenten de school en hun vak vertegenwoordigen, mogen aan docenten enige eisen worden gesteld waar het kleding, welbespraaktheid en gemanierdheid betreft.
De docenten zijn georganiseerd in vaksecties met één sectieleider die tevens over de hoogste scholing en/of mate van ervaring op het hoogste lesniveau beschikt. Ervaren docenten hebben een taak in het begeleiden van jonge collega’s. Vaksecties en docenten zijn zoveel mogelijk zelfstandig in het bepalen van de inhoud van hun vak en de manier van lesgeven, hoewel overleg en coördinatie tussen verwante secties (bijv. moderne vreemde talen) zeer nuttig kan zijn. Resultaat wordt mede gecontroleerd aan de hand van gebleken kennis en motivatie van leerlingen, waarbij echter ook hun eigen inspanningen voor het vak worden meegewogen. Vakinhoudelijke kwaliteiten, het vermogen de orde te bewaren en invoelingsvermogen voor de verschillende leerbehoeften van de leerlingen dienen van overwegend belang te zijn bij functioneringsgesprekken.

De docent of leraar geeft in beginsel klassikaal les; dat wil zeggen dat aan alle leerlingen of studenten op hetzelfde moment op dezelfde manier dezelfde eisen gesteld worden. Leerlingen of studenten dienen zich als groep gezamenlijk dezelfde stof eigen te maken en werken over het algemeen niet ieder in hun eigen tempo. Directe instructie en oefening vormen de basis van het meeste onderwijs. Excursies, werkstukken, presentaties, projecten en het gebruik van audiovisuele middelen en internetopdrachten moeten vakinhoudelijk relevant zijn. Er worden toetsen gehanteerd waarin vakinhoudelijke kennis en vaardigheden duidelijk worden beoordeeld en waarbij de beoordeling binnen de sectie/vakgroep per jaarlaag en niveau uniform is. Daarbinnen is een leraar of docent vrij de lesstof naar eigen goeddunken te behandelen, mits zijn resultaten naar behoren zijn en duidelijk controleerbaar via de (centrale) examens die doorslaggevend zijn voor het behalen van het diploma.

Uitgangspunten: De student of leerling en zijn ouders

Leerlingen en studenten zijn verplicht zich te houden aan de regels van de onderwijsinstelling, het werk te doen dat hun wordt opgedragen en bij de lessen aanwezig te zijn. Als een leerling of student stelselmatig niet aan zijn verplichtingen voldoet, wordt hij van de onderwijsinstelling verwijderd.
Anderzijds mogen studenten, leerlingen en hun ouders van de onderwijsinstelling verwachten dat er met zorg met hen wordt omgegaan: er zal, naast gedegen onderwijs, aandacht zijn voor en betrokkenheid bij de leerlingen van de kant van docenten en bestuur. In het geval van minderjarigheid worden ouders regelmatig en duidelijk geïnformeerd over de vorderingen van hun kind en eventuele moeilijkheden worden tijdig en met aandacht doorgesproken. Studenten, leerlingen en hun ouders hebben, binnen de grenzen van het redelijke, het recht gehoor te vinden voor eventuele klachten.
Leerlingen die om welke reden dan ook permanent niet aan de eisen van een bepaald onderwijsniveau kunnen voldoen, worden doorverwezen naar een ander schooltype of naar speciaal onderwijs. Er moet dus niet langer ‘samen naar school gegaan worden’, om aan de specifieke behoeften van leerlingen met én zonder leer en gedragsproblemen op een adequate wijze tegemoet te komen. Hier ligt een taak voor de overheid.
Er is op onderwijsinstellingen pertinent geen plaats voor wapens, drugs en alcohol. GSM’s zijn gedurende de schooldag uitgeschakeld in de tas. De sancties op het overtreden van deze regel zijn fors en helder, om verloedering van de instelling te voorkomen.

Uitgangspunten: Het vak

Uitgaande van de gedachte dat de basiskennis van de meeste vakgebieden niet snel veroudert en dat het verwerven van kennis en het voldoen aan de eisen van het leren beheersen van een bepaald vak in zichzelf belangrijke vormende waarden hebben voor de leerling, moet onderwijs eerst en vooral vakinhoudelijk gericht zijn. Het leren van een sport of bespelen van een muziekinstrument mag hier als voorbeeld dienen. Het vak, waarin de leraar of docent de leerling of student ‘inwijdt’ vormt de kern en grondslag van hun onderlinge relatie. De leerling wordt dan ook op vakinhoudelijke prestaties beoordeeld, d.m.v. toetsen die uitwijzen of het beoogde niveau van vakbeheersing is bereikt. De werking van de psyche van de leerling is, uitzonderlijke gevallen daargelaten, zijn eigen zaak. Goede kennis van een vak en zijn traditie vormen ook de beste basis voor vervolgopleidingen.
Er dient een grondige herwaardering te komen van vakkundige handarbeid en praktijkvakken; die moeten binnen de daarop toegesneden onderwijsinstelling in voldoende mate worden geoefend. Een praktisch ingestelde leerling moet de mogelijkheid hebben een praktische opleiding te volgen die gericht is op een praktisch beroep en daarom slechts een meer bescheiden theoretische component kent. Daartoe moeten onder meer ambachtscholen (LTSa/b/c) worden heringevoerd alsmede het leerlingenwezen. Leerlingen van een ambachtschool dienen na het volgen van deze opleiding, in principe op hun 16e jaar, in staat te zijn een vak uit te oefenen in de vorm van een meester/gezelstructuur.
Niet langer moet de leus worden gehuldigd dat het niet meer van deze tijd is om leerlingen rijtjes e.d. uit het hoofd te laten leren. Wie een instrument wil leren bespelen of goed wil leren voetballen, moet ook stomweg oefenen tot hij zich de noodzakelijke,‘saaie’ basisvaardigheden heeft eigen gemaakt. Wat een leerling als basis moet leren, mag niet afhankelijk worden gemaakt van diens behoefte of toevallige interesse, maar hangt samen met de eisen die het vak zelf met zich meebrengt. Voor het geheel van elke opleiding geldt dat de mening van de leerling pas interessant wordt wanneer hij weet waar hij over praat. Het niet willen opleggen van eisen aan kinderen is een vorm van verwaarlozing; daarin miskent een onderwijsinstantie hun mogelijkheden.
Een leerling of student moet niet alleen maar globaal kennis genomen hebben van een bepaald vak of vakonderdeel, maar door zorgvuldige bestudering, voldoende oefening en weloverwogen toetsing daadwerkelijk leren beheersen wat hij ‘heeft gehad’. Omdat een dergelijke vorm van vakbeheersing oefening en continuïteit vergt, worden modulaire en thematische onderwijsvormen vermeden, tenzij ze vakinhoudelijk relevant zijn.
Alfa-, bèta- en gammavakken moeten in zwaarte niet voor elkaar onderdoen: wie wil slagen voor een opleiding moet in beginsel aan alle bijbehorende eisen voldaan hebben.
Een school moet goede contacten onderhouden met de schakels direct onder en boven haar, zowel om de eigen resultaten te kunnen toetsen, alsook om een betrokken en persoonlijke overdracht en inschaling van leerlingen en studenten te bevorderen. Voor de toegang tot het voortgezet onderwijs geldt dat de resultaten van de Cito-toets alleen nooit bepalend mogen zijn voor aanname op een bepaald onderwijsniveau, maar ook schoolrapporten en bevindingen van onderwijzers dienen in de oordeelsvorming opgenomen te worden.

Leefbaar Rotterdam en Onderwijs

Wees weer streng in het Rotterdamse onderwijs!

Bron: NRC Handelsblad, 12 april 2012

Leerlingen in Rotterdam kiezen de verkeerde studies, kampen te vaak met een achterstand en presteren onder de maat. Het is hoog tijd voor stevige maatregelen, betoogt Ronald Buijt.
Het gaat niet goed met het onderwijs in Nederland. Op universiteiten en hogescholen is twijfel ontstaan over de waarde van diploma’s, studenten beheersen het Nederlands onvoldoende en managers graaien.
De problemen op het vmbo en mbo zijn nóg veel groter. Met je handen werken wordt ten onrechte beschouwd als minderwaardig. De regionale opleidingencentra zijn te massaal van opzet. Over de kwaliteit van de mbo-niveaus 1 en 2 wordt massaal geklaagd. Het aantal ongemotiveerde leerlingen ligt nergens hoger dan op het mbo.

De situatie in Rotterdam is nog eens extra alarmerend. Wethouder De Jonge (onderwijs, CDA) heeft een aantal opvallende en soms goede maatregelen getroffen, zoals het invoeren van een voorschool voor driejarigen en van zomerscholen. Ook wil hij de leerplicht verlengen tot 23 jaar en stelt hij voor om geregeld spijbelende mbo-leerlingen te korten op hun studiefinanciering.

Desondanks kampt het Rotterdamse onderwijs nog altijd met drie megaproblemen:

1. Het aanbod van en de keuze voor het soort opleidingen sluiten totaal niet aan bij de enorme vraag die er de komende jaren zal zijn op de Rotterdamse arbeidsmarkt. In de haven gaan de komende jaren duizenden werknemers met pensioen. Tegelijkertijd hebben we de komende jaren door de vergrijzing duizenden mensen extra nodig in de zorg. In de transportsector worden niet alleen maar Oost-Europeanen in dienst genomen omdat ze goedkoop zijn, maar ook omdat Nederlandse jongens geen groot rijbewijs meer willen halen.

Het is duidelijk welke opdracht wethouder De Jonge de komende jaren heeft – zorgen dat de vacatures die Rotterdam op korte termijn nodig heeft, zullen worden vervuld. Aan het vrijheid-blijheid-onderwijs moet een einde komen. Sta geen pretopleidingen meer toe, zoals die tot visagist of rapper. Dat zijn enkeltjes bijstand!

2. Rotterdam telt extreem veel zogenoemde achterstandsleerlingen – liefst 15 procent van alle leerlingen in het basisonderwijs doet niet mee aan de Citotoets – en (dus?) ook veel ongemotiveerde leerlingen waar men geen raad mee weet. De stad doet helemaal niets om hiervoor een oplossing te vinden. Het mag misschien sympathiek en sociaal lijken dat we leerlingen in Nederland oneindig veel kansen en tijd geven om hun gedrag te verbeteren, motivatie (terug) te vinden en zo die zo belangrijke startkwalificatie alsnog te bemachtigen, maar tegelijkertijd maken we het er voor onze leraren, die het toch al vaak zo zwaar hebben, alleen maar nog zwaarder op. Nog belangrijker is de ongunstige invloed die uitgaat van notoir ongemotiveerde en vaak overlast gevende leerlingen op hun klasgenoten. Het is voor meelopers makkelijk meelopen.
Zij zien dat de stoere jongens overal mee wegkomen. Ze spijbelen, komen te laat, hebben een grote mond en maken geen huiswerk. Of, nog erger: ze intimideren en houden zich bezig met geestelijke en fysieke mishandeling. Je moet het wel heel bont maken wil je in Nederland van school worden gestuurd. Meestal gebeurt dit alleen als een andere school bereid is een leerling uit te ruilen met een soortgelijk probleemgeval.

Op de toch al zo fragiele Rotterdamse vmbo- en mbo-scholen wordt het voor de grote meerderheid van leerlingen die in beginsel wél iets willen leren, die wél willen opletten in de klas, heel moeilijk gemaakt. Het is absoluut niet sympathiek en sociaal dat etterbakken tot in het oneindige de hand boven het hoofd wordt gehouden en er eigenlijk altijd wel weer een nieuwe kans komt. Ten eerste omdat de etterbakken in de praktijk toch vaak voortijdig de school verlaten, maar vooral omdat de leerlingen die van goede wil zijn de kans op goed onderwijs stelselmatig wordt ontnomen.

Daarom bepleit ik al jaren de herinvoering van zogenoemde tuchtscholen. Hierbij staat uitdrukkelijk niet het belang centraal van de naar een tuchtschool verbannen leerling, hoewel ik aanneem dat ook zij op zo’n school uiteindelijk meer kans maken op een startkwalificatie. Nee, bij deze maatregel staat voor mij nadrukkelijk het belang centraal van leraren en goedwillende leerlingen. Het lesgeven zal aangenamer worden. Leerlingen van goede wil zien dat goed gedrag wordt beloond en dat er eindelijk grenzen worden gesteld aan het gedrag. Dit noem ik pas sympathiek en sociaal!

3. Rotterdamse basisscholieren scoren ver onder het landelijk gemiddelde bij de Citotoets. We hebben het laagste percentage kinderen in Nederland dat naar het vwo gaat. Rotterdam telt de meeste kinderen van heel Nederland die zonder diploma van school gaan. Het aantal voortijdige schoolverlaters is in Rotterdam hoger dan waar ook in Nederland. Ongeveer een op de vier Rotterdammers ging de laatste jaren zonder diploma van school af. Velen belanden in de bijstand. Sommigen vervallen in criminaliteit.

Om deze drie problemen het hoofd te bieden, zal Leefbaar Rotterdam in de loop van dit jaar met een initiatiefvoorstel komen.
Hierin zullen we de volgende elf oplossingen beschrijven:

1. Voer de Ambachtsschool weer in. Er is grote vraag naar mensen die met hun handen kunnen werken. Ons credo is ‘geen Polen maar Rotterdammers’.
2. Geef taal en rekenen weer voorrang op de basisschool.
3. Schaf pretopleidingen af.
4. Creëer orde en regelmaat. De leraar moet weer de baas zijn in de klas.
5. Bevrijd het onderwijs van de bureaucratische managementlagen.
6. Sluit slechte scholen.
7. Stel hogere eisen aan de pabo-opleidingen.
8. Haal de beste leraren naar Rotterdam, voor een aantrekkelijk salaris.
9. Voer de tuchtschool in. Straf etters. Koester leerlingen van goede wil.
10. Maak een plan van aanpak om Rotterdamse leerlingen over vijf jaar klaar, opgeleid en gemotiveerd te laten zijn om de tienduizenden banen te vervullen in de zorg, de haven en de transportsector.
11. Schaf de leerfabrieken af. Maak kleine scholen, waar leerlingen geen nummers zijn – maximaal 600 leerlingen per locatie.

Onderwijs in Nederland is té lang een speeltje geweest voor statusgevoelige managers die hun overspannen idealen projecteren op de jongste generatie.
Het is de hoogste tijd om voorrang te geven aan wat scholieren diep in hun hart zelf ook allang weten – dat niet alles leuk is, dat er gewerkt moet worden, en dat een bepaalde mate van discipline een levenslange vriend kan zijn.

(Ronald Buijt is lid van de fractie van Leefbaar Rotterdam in de Rotterdamse gemeenteraad)

Dit artikel verscheen op 12 april 2012 als opiniestuk in het NRC Handelsblad

Onderwijs en Groen Links

DEN HAAG - Kandidaat voor het GroenLinks-lijsttrekkerschap Tofik Dibi wil van zijn partij ‘de nummer één’ onderwijspartij maken.

Dat zegt hij tegen NU.nl. Onderwijs moet naast duurzaamheid het belangrijkste thema worden van GroenLinks.
Het is de eerste keer tijdens de lijsttrekkersstrijd met Jolande Sap dat Dibi een inhoudelijke koerswijziging
“Als mensen aan GroenLinks denken moeten ze aan drie dingen denken: duurzaamheid, onderwijs en de open en vrije samenleving”, aldus Dibi.

Middenschool
Zo wil de GroenLinkser alsnog de omstreden ‘middenschool’ invoeren. Deze middenschool is in de jaren zeventig bedacht voor kinderen tussen de 12 en 15 als verlenging van de basisschool, om verschillen tussen sociale milieus te kunnen verkleinen. Uiteindelijk is dit plan nooit werkelijkheid geworden.
“Kinderen worden nu te vroeg naar het vmbo of naar de havo gestuurd. Wat mij betreft komt de invoering van de middenschool in het verkiezingsprogramma”, aldus Dibi.
Ook houdt hij een pleidooi voor flexibele schooltijden, zodat ouders werk en opvoeding kunnen combineren. Dibi wil verder onder meer leraren beter belonen en onderwijsinstellingen kleinschaliger maken.

Investeringen
Dibi stelt dat investeren in onderwijs niet alleen een duurzame oplossing is voor de economische crisis, maar ook voor de ecologische crisis.
“Onderwijs is het vehikel voor innovatie, voor nieuwe ideeën en voor creatieve oplossingen voor moeilijke vraagstukken, zoals de overstap naar schone energie”, aldus Dibi.
Ook zijn economen het er volgens hem over eens dat elke onderwijseuro ‘zich dubbel en dwars terugverdient’, omdat mensen na hun opleiding een bijdrage leveren aan de economie.
Verder zorgen onderwijsinvesteringen volgens de lijsttrekkerskandidaat voor ‘eerlijke kansen en verdraagzaamheid’. “Hier worden dubbeltjes kwartjes”, stelt hij.

Door: NU.nl/Lucas Benschop

This is the first day of the rest of your life