maandag, juni 17, 2013

Big Data voorbeelden

Big data vindt zijn weg naar de stad

In april 2010 kwamen bij stortregens, overstromingen en aardverschuivingen 68 inwoners van de Braziliaanse stad Rio de Janeiro om het leven. Burgemeester Eduardo Paes ontdekte op pijnlijke wijze dat het onmogelijk was de activiteiten van overheidsinstanties te coördineren: politie, brandweer, rioleringsdienst, weersvoorspellers en openbaar vervoer werkten langs elkaar heen. Ze konden geen levens redden door tijdig straten en rioleringen af te sluiten of mensen te evacueren.

Maar verbetering kan snel gaan. Een maand na de ramp had burgemeester Paes volgens de New York Times een eerste gesprek met vertegenwoordigers van IBM’s Smarter Cities programma, waaronder Guru Banavar. Banavar stelt dat steden over steeds meer data van sensoren, camera’s en social media beschikken. ‘Je kunt al die data benutten om een stad of een infrastructuur beter en duurzamer te laten functioneren.’

Reeds zes maanden na het eerste gesprek met vertegenwoordigers van IBM verrichtte de burgemeester de officiële opening van het Centro de Operacoes Rio (ROC): een futuristisch ‘smart city’ controlecentrum dat op grote schaal data verzamelt en analyseert en van waaruit 32 overheidsinstanties hun activiteiten coördineren. ‘In de controlekamer van het ROC hebben we een 40 m brede videomuur die bestaat uit tachtig beeldschermen’, vertelt een voorlichter van de stad over de telefoon. ‘De schermen vertonen data van zeshonderd videocamera’s, meerdere weersatellieten, hoge-resolutie radarinstallaties en andere sensoren waarmee we de stad observeren. In het ROC werken vierhonderd mensen die 24 uur per dag informatie binnenkrijgen via e-mails, tweets, videoconferencing en tekstberichten.’

Rio de Janeiro is niet toevallig een interessant voorbeeld en test case voor IBM voor het gebruik van big data in een stedelijke omgeving. De Braziliaanse stad – met een zekere reputatie op het gebied van chaos – is de komende tijd gastheer van de Confederations Cup (2013), het WK voetbal (2014) en de Olympische Spelen (2016): stuk voor stuk grote evenementen die een strakke regie vereisen.

IBM gebruikt in Rio de Janeiro software die op basis van data uit het verleden de toekomst voorspelt, zoals een programma dat met weersvoorspellingen en hydrologische data 48 uur vantevoren stortregens en overstromingen met een zekerheid van 80 % kan voorspellen. Dergelijke software heeft IBM ook gebruikt in New York’s Real Time Crime Center, een controlecentrum dat beschikt over een immense database (met onder andere de nummerborden van alle auto’s die New York binnenkomen, arrestatierapporten, en tatoeages van misdadigers) en waar alle rapportages van misdrijven in real time binnenkomen. Medewerkers van politie kunnen aan de hand van de software trends in de criminaliteit analyseren en voorspellen waar en wanneer misdrijven zullen plaatsvinden alsof het regenbuien zijn.

Rio heeft met zijn ROC waarschijnlijk het meest geavanceerde smart city controle¬centrum van de wereld. Toch is Rio niet echt een slimme stad. Op 18 mei zorgden zware regens in Rio opnieuw voor verkeerschaos, blackouts en een negen uur durende sluiting van het vliegveld. Gestrande passagiers demonstreerden met een boodschap aan president Dilma Roussef: ‘Dilma, stel je voor dat dit gebeurt tijdens het WK voetbal.’ Het is duidelijk dat Rio niet kan leunen op het ROC als een medicijn voor infrastructurele problemen. Verstopte kanalen, dichtgeslibde rivieren, defecte rioleringen, gebrekkige drainage en krottenbouw worden nu eenmaal niet verholpen met software.

‘Het lijkt alsof in de smart city filosofie ieder probleem kan worden opgelost met de simpele vergelijking “techniek plus innovatie is duurzaamheid”’, zegt Rob Kitchin. Deze geograaf van de National University of Ireland meent dat de smart city filosofie de indruk wekt dat er voor ieder stedelijk probleem een ict-oplossing is. Dat is natuurlijk niet zo, zegt hij. ‘Armoede, slecht onderwijs en sociale ongelijkheid moeten worden opgelost in de politiek, niet in een computer.’ Zo kun je het ROC in Rio de Janeiro zien als een stel slimme hersens op een lichaam met grote gebreken.

Hoe anders is dat in de Zuid-Koreaanse stad Songdo, die binnen een tijdsbestek van een paar jaar uit de grond wordt gestampt. In 2018 zullen de 65.000 bewoners van deze stad niet alleen beschikken over een splinternieuw beheercentrum van Cisco Systems, maar ook over een even imposante infrastructuur van nieuwe gebouwen, wegen, kantoren, scholen en voorzieningen die zijn ontworpen met het smart city-concept als uitgangspunt.
‘Wij bouwen in Songdo een stad die draait op informatie en waarbij de controlekamer de hersenen zijn’, zegt Cisco’s ceo John Chambers. Wanneer camera’s laten zien dat een straat leeg is, dan kan de verlichting daar vanuit de controlekamer worden gedempt. En dankzij RFID-lezers langs de wegen kan de controlekamer altijd zien waar alle auto’s zijn en waar de vrije parkeerplaatsen.

Natuurlijk is privacy een heikel punt. De slimme stad levert een blauwdruk voor een ‘slimme dictatuur’ met een overheid die door het beheer van big data beschikt over enorm veel informatie over haar inwoners. ‘Er wordt veel gepraat over de voordelen van smart cities, maar onvoldoende over de risico’s’, stelt Anthony Townsend, een stedenbouwkundig planner van de New York University. Townsend wijst er in een boek – dat binnenkort verschijnt – op dat steden door smart city technologie steeds afhankelijker worden van bedrijven als IBM en Cisco. Hoe meer steden afhankelijk zijn van software, des te meer hevelen ze taken van de gemeenschap over naar particuliere handen.

De BBC vroeg recentelijk aan Wim Elfering of de privacy in Songdo niet in het geding is. Elferink, Cisco’s chief globalisation officer en een van de digitale architecten van Songdo, meent dat niemand zich daar zorgen over hoeft te maken. Het tegengif voor big brother heet open data, meent hij. Open data is het concept waarin de overheid ook de burgers toegang geeft tot die data, bijvoorbeeld via zelf te ontwikkelen apps.

Het Amerikaanse marktonderzoeksbureau Navigant Research voorspelt dat de wereldwijde markt voor smart city technologieën in 2020 een omzet zal bereiken van twintig miljard dollar. Negatieve effecten of uitdagingen voor de privacy ziet het bureau nauwelijks: Navigant definieert smart city programma’s als projecten waarin ict wordt toegepast om duurzaamheid, welzijn van de burgers en welvaart te bevorderen.

Teake Zuidema

woensdag, mei 08, 2013

Rabo: it’ers nodig tegen cyberaanval

Update: dinsdag 7 mei 2013, 06:57

De Rabobank vreest dat er de komende jaren een tekort ontstaat aan goed opgeleide it’ers in Nederland.
De bank heeft alleen al dit jaar ruim 230 vacatures voor it-functies.
Er zijn onder meer nieuwe mensen nodig bij de afdeling die zich bezighoudt met het bestrijden van cyberaanvallen. Het bedrijf is bezig met een campagne om it’ers enthousiast te maken voor het werken bij een bank. Zo wordt op de Xbox geadverteerd met een filmpje waarbij een DDoS-aanval wordt nagespeeld.

Grote druk
“We voorzien dat het de komende jaren steeds moeilijker zal zijn om de goede mensen te vinden met een goede opleiding”, zegt Heleen Cosijn, die voor de bank it-personeel werft. “Het verdrietige is dat het aantal it-opleidingen afneemt, omdat steeds minder studenten zich melden.”
“Het is een voortdurende zoektocht. Jonge mensen die geïnteresseerd zijn, zijn zeer zeker welkom”, zegt Mark Beerends, hoofd van het team dat de Rabobank moet beschermen tegen cyberaanvallen. Hij wijst erop dat niet iedereen geschikt is om bij een bank cyberaanvallen te bestrijden. Zo moeten it’ers met grote druk kunnen omgaan.

Ook andere banken zoeken nieuwe it’ers. Zo heeft ING momenteel 9000 it’ers in Nederland en België in dienst. Op die afdelingen staan zeventien vacatures open.

zondag, april 14, 2013

RMC

Verslag van Serious New Learning – Editie Onderwijs

RMC organiseerde op 7 maart een succesvol seminar voor decisionmakers in het onderwijs, serious game en e-learning ontwikkelaars. Het was een programma vol serious gaming en e-learning oplossingen en discussies. Ook werd tijdens het seminar de magazine-uitgave ‘Serious New Learning: Rotterdam’ gepresenteerd aan wethouder Karakus.
In het onderwijs van tegenwoordig rijst steeds vaker de vraag hoe om te gaan met de steeds verder ontwikkelende digitalisering. Moet deze zover doorgevoerd worden dat ook de leerlingen – allemaal digital natives – in de toekomst alleen nog maar met digitale leermiddelen werken?

Onder veel belangstelling van de pers werd tijdens Serious New Learning gezocht naar antwoorden op vragen als: Waar ligt de meerwaarde van het gebruik van nieuwe technologieën? Zijn deze technologische leermiddelen vervangend of complementair? En, over, welke investeringen hebben we het? Wie moet daarvoor betalen?
Het seminar werd geopend met een kijkje in de keuken. Een aantal bedrijven had hun product/spel tentoongesteld. Daardoor konden de deelnemers tijdens het lunchbuffet niet alleen kennis maken met deze bedrijven, maar ook het product uitproberen.

Uitreiking Magazine aan wethouder Karakus

Vervolgens werd het magazine ‘Serious New Learning: Rotterdam’ gelanceerd. Met deze uitgave wil RMC het (internationale) bedrijfsleven en instellingen informeren over de mogelijkheden van e-learning toepassingen, serious en applied games en gamification door organisaties uit (de omgeving van) Rotterdam. Voorzitter van de Rotterdam Media Commission, Fadime Örgü, nam het woord en vertelde dat Rotterdam een voorloper is, met 40 bedrijven in de regio die zich bezighouden met e-learning en serious gaming. Örgü overhandigde het eerste exemplaar van ‘Serious New Learning: Rotterdam’ aan Wethouder Karakus (Stedelijke Economie). Lees het magazine hier in het Nederlands of Engels!
“Bouwen wonen en vastgoed. Wat heeft dat met serious gaming te maken? Toevallig ga ik daar ook over”, aldus Wethouder Karakus, die aangaf altijd erg geïnteresseerd te zijn geweest in serious games en e-learning. Hij is dan ook erg blij met de RMC, die deze sector een boost wil geven. Karakus dankte iedereen dat hij was uitgenodigd. Dit zal leiden tot meer inhoud en een groter netwerk.

Kracht van educatieve spellen

Het inhoudelijke programma over de rol van serious games en e-learning toepassingen in het onderwijs van nu en in de toekomst begon met twee case study’s. Allereerst was het de beurt aan Kees Meershoek van BeInvolved. Meershoek vertelde over ‘de kracht van educatieve spellen in het onderwijs’. BeInvolved maakt, wellicht verrassend, alleen analoge spellen. Deze spellen worden gemaakt voor de les economie in het voortgezet onderwijs, waar 1 op de 6 scholen nu al gebruik van maakt. Het geheim volgens Meershoek? ‘Leren door te doen’ is het belangrijkste. Daarbij leren de leerlingen veel van elkaar doordat ze in kleine groepjes samen spelen en ten slotte heeft de docent zijn handen vrij om de zwakkere leerlingen te helpen.
De tweede case study was ‘Juf-in-a-Box’ van Ranj Serious Games door Bart van de Garde. Van de Garde gaf aan dat 1 op de 4 kinderen moeite heeft met schrijven en dat vele kinderen die bij de fysiotherapie lopen er vanwege schrijfproblemen terecht zijn gekomen. Met het spel ‘Juf-in-a-Box’ oefenen kinderen op een speelse manier de schrijfvaardigheid. Ook gaf van de Garde een mooi voorbeeld van sterspeler Sem, die een hand mist. Daardoor kreeg hij veel problemen met zijn andere hand. Door Juf-in-a-Box is zijn negatieve associatie met schrijven weggehaald.

Serious games voor het onderwijs en trainingen

Na deze twee voorbeelden was het de beurt aan keynote spreker Mark Overmars, hoogleraar Informatica aan de Universiteit Utrecht. Hij gaf vele redenen aan waarom serious games goed kunnen werken in het onderwijs. Een aantal punten zijn: motivatie, feedback, adaptiviteit en het ‘altijd en overal’ kunnen spelen. Ook kunnen games de docent of andere opleider gedetailleerde analyses geven van het gedrag en de vooruitgang van de speler. Een simpel antwoord gaf hij op de vraag waarom games nu nog niet of nauwelijks gebruikt wordt: Hoge kosten.
De derde case study was ‘Blended taaltraining’ van ITpreneurs, door Andrew Alihusain. ITpreneurs levert wereldwijd e-learning trainingen. In 2003 kwamen zij toevallig in aanraking met een wethouder, met wie ze het probleem ‘inburgering’ bespraken. ITpreneurs ontwikkelde een e-learning programma voor inburgeraars. Daarnaast maken ze ook vele programma’s voor andere soorten onderwijs: anderstaligen, arbeidsmigranten, voortijdig schoolverlaters etc. Volgens hen wordt de docent niet vervangen door e-learning programma’s; deze kunnen hem / haar juist ondersteunen.
De vierde en laatste case study was ‘Super Spy School’ door Andries van Vugt van Organiq New Media. In een filmpje van 10 minuten gaf hij ons een kijkje achter de schermen. Hij liet zien hoe zij het spel ‘super spy school’ hebben ontwikkeld. Het spel is gemaakt voor de LOI, om kinderen blind te leren typen. Kinderen blijken het nu minder saai te vinden om deze cursus te volgen. Ook houden veel meer kinderen de 5 maanden durende cursus nu ook 5 maanden vol.

Durven nemen van risico’s

Het seminar werd afgesloten met een paneldiscussie over de (toekomstige) rol van serious games en e-learning in het onderwijs. Kees Meershoek en Andrew Alihusain namen hieraan deel. Daarnaast schoven Rob van der Graaf (locatiedirecteur van de Laurens Cupertinoschool) en Arnold Koot (locatiedirecteur van ‘Tweetalig Wolfert’) aan.
Uit deze paneldiscussie kwam onder meer naar voren dat de serious games en e-learning toepassingen nog niet aansluiten bij de toetsen en kennistoetsen, omdat deze toetsen niet door de school zelf samengesteld worden.
Een ander probleem dat serious games en e-learning in het onderwijs tegenhoudt zijn de hoge kosten. Hierop werd aangegeven dat de scholen risico’s moeten willen nemen. Te veel scholen durven het niet. Rob van der Graaf, die op zijn school volgend jaar de laptop gaat introduceren in de brugklassen vindt dat de scholen inderdaad meer risico’s moeten nemen en geeft als tip om de ouders hierbij zoveel mogelijk bij te betrekken, want die moeten het ook willen.

‘Out of the box’

Tenslotte moeten ook de docenten openstaan voor het nemen van risico’s. Doordat de overheid zich vaak terugtrekt op dit gebied, durven docenten dat vaak niet aan en vallen terug op het ‘oude vertrouwde’.
De RMC hoopt dat met het bij elkaar brengen van opleiders en serious gaming experts tijdens Serious New Learning een begin is gemaakt aan het openstaan voor ‘out of the box’ denken.

http://www.rmcrotterdam.nl

vrijdag, april 12, 2013

Every student in every school should have the opportunity to learn to code

http://www.code.org/

zondag, november 04, 2012

Tablets op school: de beste app is de leraar

“De iPad is een geweldige nieuwe didactische tool, maar geen pedagogisch wondermiddel”, zegt Peter Van den Broeck, leraar Engels en pedagogisch ICT-coördinator.

“Leer je de leraar niet hoe hij ermee moet werken, dan is een tablet gewoon Blad Papier 2.0” Rendeert een iPad in de klas?
Klasse ging met ICT-expert Bram Faems binnen zonder bellen in de les Engels. I teach, therefore iPad?

Sint-Jozefinstituut, Hamme. Leraar Peter Van den Broeck stapt 6 Handel binnen met twee dozen iPads. Business as usual in de Engelse les, want iPads duiken steeds vaker op in het klaslokaal.
“De pc-klassen zaten overvol en we investeerden al eerder in een laptopklas”, zegt Peter Van den Broeck. “Ik gebruikte echter mijn eigen iPad af en toe in de les en dacht: waarom geen twintig iPads kopen voor de school? De directeur reageerde enthousiast, maar had één voorwaarde: ‘Geef me tien concrete lesideeën waarvoor je een iPad wil gebruiken.’ Ik had er onmiddellijk twintig. Enter iPads!”

Weg met de verlengkabels

De leraren gebruiken de sets van telkens vier tablets gretig. “Je reserveert ze het best twee weken op voorhand”, lacht Van den Broeck. “Logisch. Geen gesleur met laptops of verlengkabels meer, je zet de iPad aan en je zit onmiddellijk op het internet. Het is handiger dan naar een pc-lokaal te gaan, zeker als je de pc maar tien minuten nodig hebt om op het web te surfen. Je verliest tijd en de leerlingen zijn afgeleid. Maar met een iPad integreer je ICT in de klas. Je gebruikt het toestel en stopt het daarna gewoon weer weg.”
De les Engels trekt zich op gang. Met de gemeenteraadsverkiezingen als kapstok oefenen de leerlingen vergadertechnieken. Ze stellen tijdens de vergadering een partijprogramma op en illustreren dat met foto’s en filmpjes als campagnemateriaal gemonteerd op de iPad. De tablet draait ongemerkt mee en neemt de Engelse debatten op.
“Interessant: de iPad staat niet centraal, maar is volledig geïntegreerd in de les”, zegt Bram Faems. Hij is ICT-coördinator in de Jonatanschool in Sint-Niklaas, gespecialiseerd in ICT-toepassingen voor leerproblemen, en verzorgt het leerzorggedeelte van de lerarenportaalsite KlasCement. “De iPad is hier een hulpmiddel, geen gadget. Dat komt omdat de school vertrokken is vanuit een pedagogische visie: hoe kunnen tablets een meerwaarde bieden in de klas?”

Evaluatie-instrument

“Een tablet helpt je om aan de sterk veranderende leerplandoelstellingen en eindtermen te voldoen”, zegt Van den Broeck. “We klagen vaak dat leerlingen niet meer kunnen schrijven. Toch geven we leerlingen vooral schrijfopdrachten. Zo verwachten we van leerlingen bso dat ze stageverslagen schrijven, terwijl ze mondeling heel taalvaardig zijn. Vraag hun liever om met de iPad een fotoverslag te maken en laat ze dat mondeling toelichten. Het nieuwe leerplan moderne vreemde talen legt sterk de nadruk op zulke interactieve, geïntegreerde opdrachten.”
“Oh nee, mijn haar zit niet goed”, roept Bo. De leerlingen gebruiken de tablet nu als fototoestel om campagnebeelden te schieten. Handig, want met hetzelfde apparaat bewerken ze straks de foto’s, maken ze een filmpje, monteren dat en mailen op het eind van de les het resultaat naar hun leraar.
“Geweldig”, zegt Bram Faems. “Vroeger duurden spreekoefeningen vaak een ganse week voor iedereen aan de beurt was geweest. Nu zit het resultaat op het einde van de les in Peters mailbox. Dan kan hij straks al evalueren en de leerlingen persoonlijk bijsturen. Het valt me op dat leerlingen zo makkelijk aan de slag gaan met een tablet. Het is gewoon een werkinstrument, net zoals een rekenmachine. ‘Ze vinden het zo leuk om met een tablet te werken, het motiveert hen’, zeggen voorstanders. Daar zal echter vlug sleet op komen. Eens zo’n iPad ingeburgerd is in de klas, wordt dit gewoon weer een alledaagse Engelse les.”

Geen verplicht nummertje

Peter Van den Broeck gebruikt de iPad lang niet in elke les. “Wij zijn géén iPadschool.Zo gebruikt de vakgroep wiskunde geen iPads, maar digitale pennen. Andere collega’s zijn dan weer schitterende vertellers met minder interesse voor technologie. Bekijk het vanuit het standpunt van de leerlingen: de hele dag met een iPad werken, daar zitten ze niet op te wachten.”
“Het is een werkinstrument, net als een rekenmachine”
“Variatie is heel belangrijk om je leerlingen te motiveren en om elk leertype van leerlingen aan bod te laten komen”, weet Bram Faems. “Zo komen verlegen leerlingen bij een groepswerk misschien minder aan bod, maar steken ze wel enorm veel op door naar een leraar te zitten luisteren. Een tablet brengt afwisseling in de les, maar mag geen verplicht nummertje worden. Bovendien: als je leraren niet leert hoe je op een andere manier les kan geven dankzij een tablet, dan wordt een iPad een domme vervanger van papier in plaats van een krachtige tool.”
“Dat klopt”, zegt Van den Broeck. “Daarom ben ik als pedagogisch ICT- coördinator deeltijds vrijgesteld om mijn collega’s te ondersteunen. Eerst gaf ik sessies aan alle geïnteresseerde collega’s samen, maar ze pikten daar weinig van op. Wees liever een klankbord en spreek mensen persoonlijk aan: ‘He, ik heb iets wat misschien interessant is voor je les.’ Die individuele aanpak vergt tijd, maar ik merk dat mijn collega’s zo veel vlugger gaan experimenteren, omdat ze zelf kunnen bepalen hoe ver ze willen gaan met de integratie van ICT in de les. Zo gebruikt een leraar koken nu stop motion in zijn lessen. De tablets hangen boven de drie kookeilanden en nemen elke minuut een foto. Op het einde van de les evalueert hij samen met de leerlingen aan de hand van de foto’s hun werk.”
Bram Faems ziet ook mogelijke problemen: “Je moet twee keer investeren: in iPads, maar ook in een inspirerende coach. De school leunt sterk op Peter, maar wat als Peter uitvalt of een andere job zoekt?” Van den Broeck is er gerust op: “De voordelen van werken met een tablet hebben ondertussen het hele korps besmet! (lacht)”

Handboek blijft bestaan

Ondertussen loopt het mis in de klas. Net zoals in een ‘normale’ spreekoefening Engels verliezen de leerlingen zich in half-Nederlandse zinnen en mislukte non-discussies. Van den Broeck grijpt in. Hij reset de dictafoon op de iPad en focust de leerlingen op hun opdracht. De ingreep van de coach loont. Jasper neemt de instructies uit het handboek bij zich en Romana maakt het verslag … op papier.
“Een iPad vervangt voorlopig niet alle boeken”, zegt Van den Broeck. “Ik heb vorig jaar twee weken gewerkt met handboeken op de tablet, maar dat lukte gewoonweg niet. Leerlingen hebben vaak verschillende boeken naast elkaar nodig: handboek, werkboek, grammatica. Maar je kan toch moeilijk twee tablets tegelijkertijd gebruiken? Bovendien is een tablet niet gemaakt om op te schrijven. Een mail van meer dan vijf zinnen verstuur ik vanaf mijn pc. Als leerlingen een verslag schrijven of een powerpointvoorstelling maken, dan kan dat niet met een iPad. Daarom bestaan onze pc-klassen en laptop-pool ook nog.”
Ook voor Bram Faems is een tablet geen pedagogisch wondermiddel: “Je kan digitale aantekeningen maken in het werkboek, en in een digitaal handboek heb je een zeer goede zoekfunctie. Maar gebruik je een tablet enkel als e-reader, dan rechtvaardigt dat de aankoopkost niet. Een tablet is een medium dat een heel nieuwe visie op handboeken nodig heeft. Zet je het handboek gewoon op pdf, dan heeft dat geen enkele meerwaarde. Vergeet ook maar dat een digitaal boek goedkoper is dan een papieren boek. De grootste kost van een handboek zit niet in de druk, maar wel in de ontwikkeling. Tablets kunnen wel een uitstekende tool worden om te differentiëren in de klas. Helaas zijn ze nog niet in staat om er bijvoorbeeld dyslexieprogramma’s op te laten draaien.”

De school investeert

In de volgende les Engels leert 4 Wetenschappen meer over interviewtechieken. Van den Broeck heeft een beeldfragment gedeeld in de dropbox van de iPad. De leerlingen bekijken per twee het filmpje in hun eigen tempo: terugspoelen, fragmenten analyseren, herbekijken. Straks stormen ze het klaslokaal uit met hun iPad en nemen zelf een interview op dat ze daarna in de klas met de iMovie-app monteren. Opvallend: slechts één leerling kent de app, maar na vijf minuten is de hele klas ermee weg.
Als de leerlingen zo spelenderwijs met een iPad leren, wil de school hen dan uiteindelijk zelf tablets laten aankopen? Van den Broeck: “Nee. De school investeert, de leerlingen gebruiken. Leerlingen betalen ook geen bijdragen voor de pc-lokalen. Via ons reserveersysteem zetten we de iPads zo efficiënt mogelijk in. We kopen straks extra toestellen omdat de vraag zo groot is geworden. We hebben overigens geen deal met Apple. We krijgen drie procent schoolkorting, punt uit. Een iPad is niet goedkoop, inderdaad, maar voor een Android-tablet van dezelfde kwaliteit betaal je even veel.”
Net omdat de school betaalt, vinden de ouders de introductie van de tablet best oké. Komt er geen commentaar dat de leerlingen nu nog meer voor hun scherm zitten? Van den Broeck: “Ze zitten thuis veel meer voor hun computer dan op school. En de maatschappij stopt niet aan de schoolpoort. We hebben gsm’s niet kunnen weghouden van de speelplaats. Toch staan ze nog steeds in groepjes te babbelen op de speelplaats. Ja, ze checken hun Facebookprofiel. Maar niet in de klas. Daar zijn goede afspraken over. We beperken de toegang tot het internet in de klas niet. Als je dat doet, is je iPad geen tablet, maar een kleitablet.”

zaterdag, oktober 20, 2012

Bedrijfsleven moet meer investeren in eigen IT-ers

Bedrijfsleven moet meer investeren in eigen IT-ers

Het Nederlandse bedrijfsleven investeert te weinig in de ontwikkeling van ondersteunend personeel. Huidige traineeships zijn alleen ingericht op het werven van medewerkers voor het primaire proces. Bedrijven missen hierdoor de kans om bijvoorbeeld de beste IT’ers in huis te halen en zijn genoodzaakt om dure externe krachten in te huren.

Nederlandse organisaties investeren te weinig in de ontwikkeling van ondersteunend personeel. Hierdoor komt de kwaliteit van het primaire procesonder druk te staan.

Dat vinden Erik van der Meulen, partner bij Kirkman Company en Pieter Schoehuijs, CIO bij AkzoNobel die een appel doen om meer te investeren in de ontwikkeling van medewerkers van ondersteunende diensten. “Organisaties krijgen hierdoor niet de juiste mensen voor de ondersteunende diensten en zijn genoodzaakt om meer personeel in te huren”, aldus Van der Meulen. “Externen zijn kostbaar en minder betrokken bij de organisatie, waardoor de kwaliteit van het werk te wensen overlaat.” Volgens Van der Meulen kunnen bedrijven hier alleen een verbeterslag maken als zij investeren in de ontwikkeling van ondersteunend personeel, zoals IT-ers.

Maar dat is niet het enige. Starters op de arbeidsmarkt zijn het beste af met zogenaamde intercompany traineeships vindt Van der Meulen. “Bedrijven moeten intercompany traineeships aanbieden voor ondersteunende diensten, zoals IT, HR en juridische zaken”, stelt hij. “Afgestudeerden moeten de mogelijkheid krijgen om in een periode van twee jaar in verschillende organisaties te kijken. Op deze manier worden de juiste en goede mensen voor ondersteunende diensten aangetrokken, die een link kunnen maken tussen techniek en de processen van de organisatie en dat raakt de directe business.”

Goede begeleiding
Pieter Schoehuijs van Akzo Nobel vindt dat deze traineeships serieus aangepakt moeten worden om ook aan de hoge verwachtingen van starters te kunnen voldoen. “Bedrijven moeten trainees goed begeleiden”, aldus Schoehuijs. “Dat betekent een uitdagende hoofdopdracht formuleren, waar zowel de trainee als de organisatie baat bij heeft. En organisaties moeten een à twee ad hoc opdrachten beleggen bij de trainee. Op deze manier ontstaat een win-win situatie, waarbij aan de ene kant de trainee ervaring kan opdoen en aan de andere kant de trainee dynamiek in een organisatie brengt, waar de hele afdeling van opleeft.” Willen organisaties aantrekkelijk zijn voor toekomstige managers met kennis van IT, dan moeten zij bijvoorbeeld met behulp van deze intercompany traineeships goed aansluiten bij de behoefte van pas afgestudeerden.

Fout aanbod IT-ers leidt tot offshoring

Studenten informatica krijgen in Nederland niet de juiste kennis en vaardigheden aangeleerd.
De mismatch op de IT-arbeidsmarkt die dat tot gevolg heeft, leidt er toe dat multinationals als Stork en AkzoNobel hun IT-activiteiten zullen offshoren naar India.

Dit betoogden Peter Schoehuijs CIO van AkzoNobel en zijn collega André Haket van Stork deze week in het Algemeen Dagblad.

Volgens Schoehuijs ontbreekt het in Nederland vooral aan goede informatiemanagers die met een goede taalvaardigheid een brug kunnen slaan tussen IT en de verkoop, personeelszaken en onderzoek en ontwikkeling. Op de universiteiten en HBO’s krijgen studenten vooral programmeer vaardigheden aangeleerd. Doordat informatiemanagers nauwelijks te vinden zijn op de arbeidsmarkt worden mogelijk duizenden vacatures in Nederland niet ingevuld.

Met name HBO en universiteiten zouden flink wat steken laten vallen bij het opleiden van IT-managers, stelt Pieter Schoehuijs, cio van AkzoNobel.

André Haket, cio van Stork, deelt deze zorgen. Stork en AkzoNobel proberen het tij te keren door samen met De Nederlandsche Bank volgende maand een opleiding IT-management te starten die wel tot afstudeerders leidt met de juiste vaardigheden. Tegen het AD zegt CIO André Haket van Stork: “Wij steken onze nek uit. We rekenen erop dat meer concerns snel zullen aansluiten.”

In september deed Schoehuijs al op IT Executive.nl een oproep dat Nederlandse bedrijven meer moeten investeren in de ontwikkeling van goed ondersteunend personeel. Huidige traineeships zijn voornamelijk ingericht op het werven van medewerkers voor het primaire proces. Hierdoor komt de kwaliteit van het primaire procesonder druk te staan. Bedrijven missen hierdoor de kans om bijvoorbeeld de beste IT’ers in huis te halen en zijn genoodzaakt om dure externe krachten in te huren.

zondag, juli 04, 2010

zaterdag, maart 27, 2010

Keynote speech van Neelie Kroes op ICT Delta

Keynote speech van Neelie Kroes op ICTDelta2010
Neelie Kroes is Eurocommissaris verantwoordelijk voor de portefeuille Digitale agenda

Een digitale agenda voor Europa
ICTDelta 2010
Rotterdam, 18 maart 2010

Dames en Heren,

Allereerst natuurlijk mijn oprechte felicitaties aan de winnaar van de ICTDelta Startersprijs, Meetingspot. Goede ideeën moeten aangemoedigd en beloond worden. Ik wens u alle succes toe met het uitwerken en commercialiseren van uw idee.

Innovatief jong bedrijfsleven is cruciaal voor de concurrentiekracht van de Nederlandse en de Europese economie. Het zijn deze bedrijven die nieuwe ideeën op de markt durven te brengen en grote bedrijven voortdurend uitdagen om zelf met nieuwe producten en diensten te komen. En op die manier creëren zij banen, groei en welvaart.

Vandaar dat ik dit jonge innovatief ICT bedrijfsleven in mijn Digitale Agenda voor Europa zo’n centrale plek geef.

Over die Digitale Agenda wil ik het nu met u hebben. De Digitale Agenda is mijn strategie die ik samen met mijn collega´s op dit moment voorbereid.

De Digitale Agenda moet u zien als mijn werkprogramma, de prioriteiten van de Commissie voor de komende vijf jaar op het terrein van de digitale samenleving.

Wat is de lange termijn visie achter de Digitale Agenda. Het hogere doel van de Digitale Agenda is het bevorderen van economische groei. Europa moet de handrem van de economie afhalen. Economische groei hebben we nodig om onze sociale en klimaatdoelstellingen te realiseren. Dat is de basis boodschap van het EU 2020 die de Commissie twee weken geleden heeft gepresenteerd. En de huidige financieel-economische crisis heeft een groot gat geslagen in de economische groei die sowieso al nodig hadden. Voor Nederland alleen al schatten cconomen en statistici deze op zo’n 5% verlies aan groei.

De Digitale Agenda moet, kan en zal bijdragen aan het aan de praat krijgen van de economie. Want zonder ICT geen groei, geen banen en geen welvaart. Om u een idee te geven van het belang van ICT: de ICT sector draagt 20% bij aan en de investeringen in ICT zijn verantwoordelijk voor wel 30% van de productiviteitsstijging in Europa. Dat potentieel mogen we niet lagen liggen.

En daarnaast kan ICT zo’n belangrijke rol spelen bij het oplossen van de grote maatschappelijke vraagstukken. Zoals de betaalbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Deze week was ik in Barcelona op een groot congres over de mogelijkheden van ICT in de gezondheidszorg. Fascinerend gewoon. Hoe kleine apparaatjes met RFID-chips voortdurend bepaalde lichaamsfuncties als bloedwaarden kunnen meten en deze waarden op afstand kunnen worden uitgelezen. Zodat mensen langer thuis kunnen blijven wonen. Of ICT-toepassingen in ziekenhuizen waardoor de logistiek van bedden en de operaties verder geoptimaliseerd kan worden.

Om het toenemende beroep op de gezondheidszorg te kunnen opvangen en de kosten van de gezondheidszorg te kunnen beheersen, zijn dit soort slimme ICT simpelweg onontbeerlijk.

Ook grootschalige opwekking van duurzame elektriciteit kan niet zonder ICT. Slimme elektriciteitsnetten en slimme meters bij de mensen thuis zijn nodig om het voortdurend variërend aanbod aan elektriciteit te kunnen opvangen.

Kortweg gaat het in de digitale agenda om:

1) Ten eerste: Ultra-snel Internet.
Dit is als digitale zuurstof voor mensen en organisaties in de 21e eeuw. Met snelheden van 100 megabits per seconde, stuurt en ontvangt U zelfs grote pakketten content in een fractie van een seconde. De Europese Commissie streeft ernaar dat in 2013 iedereen toegang heeft tot breedband. In 2020 moet iedereen toegang hebben tot highspeed internet van wel 30 Mbps. Tegelijkertijd moeten 50% van de huishoudens zich kunnen aansluiten op het supersnel internet van wel 100 Mbps.

2) Ten tweede: Een Digitale interne Markt
ergert U zich ook aan de beperkingen die U ondervindt bij het online kopen en verkopen van diensten en producten in andere landen. Waarom zouden de grenzen die in de echte wereld stilaan verdwijnen voortbestaan op het internet? U moet dan vooral denken aan verschillen in copyright en consumentenrecht tussen de LS. Maar ook een sterk gefragmenteerde telecommarkt. Die barrières moeten nu dus worden aangepakt.

3) Ten Derde: De Digitale Maatschappij
Nog teveel mensen kunnen of durven niet toe te treden tot de digitale samenleving. Omdat ze de vaardigheden missen of omdat ze het niet vertrouwen. Daar moeten we iets aan doen. We moeten er dus voor zorgen dat mensen zich veilig, vrij en onafhankelijk kunnen bewegen op het Internet. Dat mensen zich er thuis voelen. En natuurlijk moeten we optimaal gebruik maken van ICT om onze sociale en klimaatdoelstellingen te realiseren.

4) Ten vierde: we moeten er voor zorgen dat onze economie meer profiteert van de bestaande en de toekomstige mogelijkheden ICT.
Eerst door meer te investeren in ICT-onderzoek en ontwikkeling. Onderinvestering in R&D is niet alleen een probleem voor de ICT-sector. Dat is een probleem voor de hele Europese economie. Vandaar de centrale plaats die dit thema heeft in de EU2020 strategie. Baanbrekende technologie krijgen we niet vanzelf. Daar is inspanning, creativiteit, doorzettingsvermogen en geld voor nodig. We zullen zorgen voor de nodige prikkels om investeringen te bevorderen in publiek en privaat onderzoek en om ondernemers te steunen in alle fases van de innovatie cyclus. De Europese Unie kan daar een belangrijke rol bij spelen met het bestaande zevende kaderprogramma en het CIP-programma. In beiden programma’s neemt ICT een zeer groot aandeel in. Zo investeert de EU jaarlijks bijna 2 mrd euro in ICT-research. Dat is ongeveer 20% van de totale R&D uitgaven in Nederland – publiek en privaat bij elkaar.

Mijn ambitie voor de komende jaren is om de effectiviteit en de efficiëntie van deze investeringen te vergroten. Meer focus, meer samenwerking, groter aandeel van kleine en middelgrote ondernemingen, minder bureaucratie.

Daarnaast moeten er voor blijven waken dat de apparaten, applicaties en systemen met elkaar kunnen blijven communiceren. De openheid van internet is altijd de kracht geweest. We zullen dus veel aandacht geven aan interoperabiliteit en open platforms en standaarden.

Deze agenda uitvoeren kan ik en wil ik niet alleen. Daarvoor heb ik anderen nodig. Mijn collega’s in de Commissie. De vertegenwoordigers in de Raad en het Europees parlement. Nationale en regionale overheden die over hun eigen schaduw durven heen te stappen en begrijpen dat het Europese belang uiteindelijk ook hun nationaal en regionaal belang is. Maar vooral u heb ik daarvoor nodig. Ondernemers, bedrijfsleven, consumentenorganisaties. Want het zijn geen regeringen die banen, groei en welvaart creëren. Dat doet u. Vandaar de grote aandacht die ik wil geven aan het belang van het Europese bedrijfsleven.

In de eerste plaats wil ik ervoor zorgen dat kleine en middelgrote bedrijven een groter aandeel krijgen uit het R&D-fondsen die voor ICT-onderzoek en ontwikkeling beschikbaar zijn. Zoals ik mijn verhaal al begon, het zijn niet de grote gebruikelijke bedrijven die op dit moment de toon zetten in de digitale economie. Het zijn bedrijven die 20 jaar geleden nog niet bestonden. Hier niet en ook niet in VS. Google, Facebook, Twitter, Amazon waren er twintig jaar geleden nog niet. Sommige zelfs 10 jaar geleden nog niet. Het enige verschil is dat die bedrijven in de VS wel zijn ontstaan en doorgegroeid tot wereldspelers. Dat baart mij zorgen. Vooral omdat het grote geld op dit moment daar verdiend wordt. Zonder dat het hier banen of belastingopbrengsten genereert. En natuurlijk denk ik dan niet aan allerlei klassiek industriebeleid, verkapt en verpakt protectionisme of nodeloze belastingmaatregelen.

Maar ik denk wel aan hoe we die start-ups in Europa kunnen helpen. Wat kunnen we doen om het ondernemingsklimaat voor die bedrijven in Europa te verbeteren. Toegang tot eigen en vreemd vermogen, vermindering van de red tape, betere toegang tot internet van een hogere kwaliteit en met een hogere snelheid. Om een paar punten te noemen. Maar er zijn er meer. En u kunt op mij rekenen om mijn collega’s in de Commissie op deze punten te steunen en als u nog betere ideeën heeft dan staat mijn deur altijd open.

Welke gevolgen zal deze strategie hebben voor Nederland?
Nederland loopt voorop in publieke en private investeringen in breedband. Hierdoor staat Nederland ook in snelheid en toegang tot breedband aan de top in Europa. Voor Nederland is echter niet Europa maar de wereld de benchmark. Net als in de sport moet je altijd met de beste vergelijken. En niet met de middenmoot. Kijk bijvoorbeeld naar Zuid Korea. Hier liggen de snelheden nu al op average speed is 20 MBps en is de dekkingsgraad 95. Vooral de snelheid van de NL-infrastructuur kan verder omhoog net als het aantal mensen dat is aangesloten op dat supersnel internet. Vooral de upload snelheden zijn op dit moment nog te laag om grootschalig breedbandige communicatietoepassingen uit te rollen. Bij voorbeeld in de gezondheidszorg of in het onderwijs. Of voor beeldtelefonie in highdefinition met de familie aan de andere kant van de oceaan. En al die andere toepassingen die we nu nog niet kennen, maar waarvan we over 10 jaar zeggen hoe hebben we ooit zonder gekund.

En dan zijn er natuurlijk nog de netwerkeffecten. Hoe meer mensen zijn aangesloten, hoe hoger het maatschappelijk en economisch nut. Die netwerkeffecten van het internet zijn bekend maar beleidsmatig nog onvoldoende onderkend.

Niet in alle lidstaten is de situatie als in NL. Overal in Europa is de situatie anders. Verschillen in dekkingsgraad, dominantie van bepaalde soorten infrastructuur, gebruik, eigendom van infrastructuren, etc. Maar voor alle landen geldt dat er een uitdaging ligt om in een globaliserende wereld aantrekkelijk en competitief te blijven. We kunnen daar aan toevoegen dat alle landen hun burgers de mogelijkheden willen verschaffen om zich in de digitale wereld te ontplooien en uit te drukken. Stilstaan is geen optie. Voor de EU als geheel geldt dat de kracht van de individuele delen, het geheel versterken. Nederland profiteert ook van de snelheid van het Duitse en Belgische net.

Daarom zal Ik vanuit mijn positie in Brussel de marktontwikkelingen in Breedband nauwlettend blijven volgen en deze stimuleren door benchmarking, prikkels en indien nodig regelgeving.

Laat me over één ding duidelijk zijn: de bouw en het onderhoud van de nieuwe generatie breedbandnetwerken vereist aanzienlijke financiële middelen. In eerste instantie ben ik er groot voorstander van dat de markt deze financiële middelen verschaft. En dat de marktcondities gegeven de toegangsregels zodanig zijn dat de investeerders een redelijke vergoeding voor hun investeringen kunnen krijgen.

Maar ik erken, dat de markt deze middelen niet in alle gevallen zal kunnen en willen opbrengen. Dan acht ik publieke financiering onontbeerlijk. Maar die publieke financiering moet natuurlijk wel binnen de kaders van de Staatssteunregels plaatsvinden. Zoals die vorig jaar zijn vastgesteld.

Een andere pijler van de Digitale Agenda die belangrijk is voor Nederlandse bedrijven en consumenten, is de Digitale Interne Market. Het doel is om grensoverschrijdende dienstverlening, en transacties te vereenvoudigen ten gunste van zelfstandigen en bedrijven – zowel groot als klein.

Internet shoppen is niets nieuws in Nederland, maar toch spenderen we gemiddeld niet meer dan 500 Euro´s per jaar. Het leidt geen twijfel dat dit bedrag hoger zou zijn als we de nog bestaande barrières zouden verwijderen. Gezien de grote online activiteit van Nederland is het in een goede positie om voordeel te trekken uit onze inspanningen om de interne markt ook naar de digitale wereld door te trekken. Vooral in Nederland zien we een enorme vlucht van het aantal internet shops die mensen thuis op de bank of de keuken ontwikkelen.

We zullen de rechten van consumenten in de interne digitale markt verduidelijken, om het vertrouwen in de diensten en de technologie te vergroten; maar ook acties ondernemen om de problemen in het leveren van diensten in ander EU landen te vereenvoudigen; intellectuele eigendomsrechten eenvoudiger te registreren en te handhaven, etc.

Conclusie
De Digitale Agenda voor Europa is een ambitieus programma voor de komende vijf jaar. Maar het is geen statische agenda. Het is een lopende agenda, waarin uw wensen en voorkeuren een plaats moeten en kunnen krijgen. Want start-ups in het algemeen maar die in de ICT-sector wel in bijzonder zijn zeer belangrijk voor het realiseren van onze economische en sociale doelstellingen voor de komende decennia.
Ik dank u wel.

maandag, maart 15, 2010

Boekhouden

ELO omgeving

zondag, februari 14, 2010

zondag, april 27, 2008

Onderwijs en ICT

ICT in onderwijs nieuws

This is the first day of the rest of your life