woensdag, juli 02, 2014

Bouw sociale werkplaatsen om tot zelfstandige bedrijven

1 juli 2014 stemt de Eerste Kamer over de Participatiewet. Onderdeel van die wet is sluiting van de sociale werkplaatsen. Openhouden die werkplaatsen, zegt VNO-NCW-voorzitter Hans de Boer. Beter is ze om te bouwen tot zelfstandige bedrijven, zegt Will Tinnemans.

In zijn flamboyante stijl presenteerde Hans de Boer zich afgelopen zaterdag in een reeks media als de nieuwe voorzitter van werkgeversorganisatie VNO-NCW . De Boer schopt met een brede lach op zijn gezicht graag heilige huisjes omver. Is het in Nederland usance om je niet uit te laten over je voorgangers? Nou, dat Sociaal Akkoord, daar had hij zich toch niet in laten luizen, zo wierp hij zijn voorganger Bernard Wientjes voor. Die sociale werkplaatsen bijvoorbeeld, waar zo’n 100.000 mensen met een lichamelijke, verstandelijke, psychische en/of sociale beperking werken, die kun je toch niet sluiten?

Prompt sloten de praktijkscholen zich afgelopen maandag in de Volkskrant bij hem aan . Die opleidingsinstituten leveren jaarlijks 6000 leerlingen af die het vmbo niet aankunnen. Een kwart van die leerlingen belandt in de Wajong, een procent of zeven gaat naar een sociale werkplaats. Maar die automatische toegang tot de sociale zekerheid en beschutte werkplaatsen gaat per 1 januari 2015 op slot, als de Eerste Kamer akkoord is met de Participatiewet. Tevens wordt de toegangsdrempel tot de Wajong fors verhoogd. Wie kan werken, moet werken, zo luidt het politieke adagium sinds de jaren negentig. Lukt het niet om werk te vinden, dan is de arbeidsgehandicapte aangewezen op de bijstand, veel lager dan een bijstandsuitkering en bovendien – anders dan de Wajong – met een vermogens- en voordeurdelerstoets.

Hervorm de sociale werkplaatsen

De Participatiewet heeft een sterfhuisconstructie in petto voor sociale werkplaatsen: vanaf 1 januari 2015 komt niemand er meer in. Dat wil niet zeggen dat ze onmiddellijk verdwijnen. In theorie kunnen ze nog wel een halve eeuw blijven bestaan, want wie er werkt heeft het recht om er te blijven werken tot aan zijn pensioen. Voorlopig naast – en op den duur in plaats van – de sociale werkplaatsen komen 30.000 beschutte werkplekken voor wie écht niet in staat is om in het reguliere bedrijfsleven te werken en nét te goed is voor de dagbesteding.
Het pleidooi van De Boer voor het openhouden van de sociale werkplaatsen, ondersteund door de praktijkscholen, wordt ongetwijfeld onderschreven door veel burgers met een sociaal hart. Een fatsoenlijke samenleving laat mensen met een serieuze beperking immers niet aan hun lot over. Toch zou ik niet willen pleiten voor het openhouden, maar voor een grondige hervorming van de instituties die zich met vallen en opstaan tot sociale werkplaatsen hebben ontwikkeld.

Overheid moet reguliere bedrijven niet ondermijnen

Voor mijn boek De kwetsbaren heb ik het afgelopen jaar veel sociale ondernemers gesproken die in de groenvoorziening, klussenbedrijven, de schoonmaak, taxibedrijven, inpak- en montagewerkzaamheden, catering en aanverwante activiteiten regulier werk aanbieden aan arbeidsgehandicapten. Precies wat Sociale Zaken en gemeenten zeggen te willen: mensen met een beperking moeten een kans krijgen in het gewone bedrijfsleven. Maar ze worden al te vaak van het veld gespeeld door sociale werkplaatsen, die in diezelfde bedrijfstakken zwaar onder de prijs werken en hun werknemers, conform de cao voor die bedrijfstak, tot 130 procent van het minimumloon betalen. Hoe dat kan? Als een soort automatisme leggen gemeenten aan het einde van het jaar het bedrag op tafel dat sociale werkplaatsen tekort komen. Waar een regulier bedrijf minstens negen à tien euro per uur moet vragen om te overleven, doen sociale werkplaatsen hetzelfde werk soms voor één à twee euro.

Dat kan natuurlijk niet. Als Sociale Zaken en gemeenten hun eigen beleidsdoel – arbeidsgehandicapten aan het werk in reguliere bedrijven – serieus nemen, moeten ze dat reguliere bedrijfsleven niet ondermijnen met gesubsidieerde sociale werkplaatsen die zwaar onder de prijs werken. Toch is het ook zonde om de jarenlange ervaring en de netwerken van die instituties bij het grofvuil te zetten. Er zijn nu al sociale werkplaatsen die zonder subsidie draaien, bijvoorbeeld de Inclusief Groep, die actief is op de noordwestelijke Veluwerand .

Geef sociale werkplaatsen de tijd om te verzelfstandigen

Geef alle sociale werkplaatsen een of twee jaar de tijd om te verzelfstandigen. Bouw ze om tot coöperaties of particuliere bedrijven, die ook werknemers zonder beperking kunnen aanstellen en die tegen marktconforme tarieven concurreren met ondernemers op hetzelfde speelveld. Ze kunnen een beroep doen op loonkostensubsidies en andere compensatiemaatregelen en doen volgens de gangbare criteria mee aan gemeentelijke aanbestedingen. Maar schrijft die nieuwe sociale onderneming aan het einde van het jaar rode cijfers, dan is dat gewoon bedrijfsrisico. En bedrijfsrisico’s worden in Nederland niet afgedekt door gemeenten of Sociale Zaken.
Dikke kans dat langs die weg meer mensen met een beperking aan regulier werk komen dan met de symboolwetgeving waar Klijnsma en het Sociaal Akkoord voor tekenen. En daar was het om begonnen: fatsoenlijk werk voor arbeidsgehandicapten.

Will Tinnemans is schrijver, moderator en mediatrainer. Van zijn hand verscheen onlangs De kwetsbaren. Concurrentie en verdringing aan de onderkant van de arbeidsmarkt, Amsterdam, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 144 pagina’s, € 16,95. Zie voor discussie over oplossingen voor problemen aan de onderkant van de arbeidsmarkt:

http://www.dekwetsbaren.nl

Overheid moet reguliere bedrijven niet ondermijnen

Voor mijn boek De kwetsbaren heb ik het afgelopen jaar veel sociale ondernemers gesproken die in de groenvoorziening, klussenbedrijven, de schoonmaak, taxibedrijven, inpak- en montagewerkzaamheden, catering en aanverwante activiteiten regulier werk aanbieden aan arbeidsgehandicapten. Precies wat Sociale Zaken en gemeenten zeggen te willen: mensen met een beperking moeten een kans krijgen in het gewone bedrijfsleven. Maar ze worden al te vaak van het veld gespeeld door sociale werkplaatsen, die in diezelfde bedrijfstakken zwaar onder de prijs werken en hun werknemers, conform de cao voor die bedrijfstak, tot 130 procent van het minimumloon betalen. Hoe dat kan? Als een soort automatisme leggen gemeenten aan het einde van het jaar het bedrag op tafel dat sociale werkplaatsen tekort komen. Waar een regulier bedrijf minstens negen à tien euro per uur moet vragen om te overleven, doen sociale werkplaatsen hetzelfde werk soms voor één à twee euro.

Dat kan natuurlijk niet. Als Sociale Zaken en gemeenten hun eigen beleidsdoel – arbeidsgehandicapten aan het werk in reguliere bedrijven – serieus nemen, moeten ze dat reguliere bedrijfsleven niet ondermijnen met gesubsidieerde sociale werkplaatsen die zwaar onder de prijs werken. Toch is het ook zonde om de jarenlange ervaring en de netwerken van die instituties bij het grofvuil te zetten. Er zijn nu al sociale werkplaatsen die zonder subsidie draaien, bijvoorbeeld de Inclusief Groep, die actief is op de noordwestelijke Veluwerand.

Will Tinnemans in een interview voor Sociale Vraagstukken.

Lees het hele artikel via socialevraagstukken.nl

woensdag, juli 31, 2013

zondag, juni 24, 2012

Sociaal ondernemerschap

Ondernemen is het omzetten van creatieve en innovatieve ideeën in concrete initiatieven, inspelend op kansen op de markt of in de samenleving, met bereidheid om risico’s te nemen en op basis van een gezond beheer van de beperkt beschikbare middelen.

Sociaal ondernemen is een continu verbeteringsproces waarbij ondernemingen vrijwillig op systematische wijze economische, milieu- en sociale overwegingen op een geïntegreerde manier in de gehele bedrijfsvoering opnemen, waarbij overleg met de stakeholders, of belanghebbenden, van de onderneming deel uitmaakt van dit proces.

Een sociale onderneming is een organisatie met een eigen strategie, autonomie en governancestructuur, met een maatschappelijke missie, meestal in hoge mate publiek gefinancierd en opererend met de opdracht publieke belangen te behartigen en algemeen geldende diensten te leveren, vaak ook volgens overheidsnormen en –procedures en ondernemend in de zin van samenwerkend en concurrerend met anderen binnen en buiten het publiek gefinancierde en gereguleerde bestel, eigen inkomsten genererend los van de overheid zoals via legaten, sponsering of marktactiviteiten.

Het doel van een sociale onderneming is het voorzien in toegankelijke maatschappelijke voorzieningen die aansluiten op constitutioneel verankerde sociale grondrechten zoals o.m. het recht op wonen, werk, onderwijs en het recht op zorg.

Het burgerschap van de persoon met een handicap behoort tot de finaliteit van de sociale ondernemer in de gehandicaptenzorg.

Een sociaal ondernemer is een vernieuwer en een doorzetter. Hij/zij laat zich niet belemmeren door een gebrek aan geld of een tekort aan middelen.

De sociaal ondernemer went al zijn of haar creativiteit aan om de maatschappelijke doelen van de organisatie te bereiken.

maandag, januari 02, 2012

Sociale ondernemers

http://www.sociaalontwerpers.nl/

dinsdag, januari 11, 2011

woensdag, mei 05, 2010

Inclusieve economie

INCLUSIEVE ECONOMIE

Economische ontwikkelingen zijn niet volledig te voorspellen. Zeker is wel dat in elke conjunctuur non-participatie van mensen geld kost. Zeker is ook dat op dit moment de beroepsbevolking in Nederland vergrijst en de potentiële beroepsbevolking krimpt. Als de economie weer groeit, dreigt opnieuw krapte op de arbeidsmarkt, ook omdat een nieuwe groep werklozen van het arbeidsproces is vervreemd. Het loont daarom om de inzetbaarheid van mensen blijvend te vergroten en tegelijkertijd het bestaande arsenaal aan banen aan te passen. 

De arbeidsmarkt is imperfect

Op de markt van producten en diensten komen vraag en aanbod van consumenten en producenten bij elkaar. Op de arbeidsmarkt zijn diezelfde producenten werkgevers en is een deel van de consumenten werkzoekend. Werkgevers en werknemers hebben elkaar nodig, maar op de arbeidsmarkt wordt te vaak een imperfect product verhandeld. Er is niet altijd een fit, een match tussen vraag en aanbod. Daardoor verslechteren de concurrentiepositie van producenten en de maatschappelijke en economische positie van degenen die niet gekozen worden. Vacatures blijven onvervuld, talenten blijven onbenut en de wig groeit: de sociale premiecomponent in de loonkosten van de werkenden moet omhoog om de uitkeringen voor de werkzoekenden te financieren.  Overheid, onderwijs en zorg hebben de instrumenten om de uitgangspositie van werkzoekenden en laaggeschoolde werkenden te verbeteren. Het bedrijfsleven en de overheid in haar rol als werkgever kunnen door het aanpassen van hun totstandkomingstechnologie hun bedrijfsprocessen beter laten aansluiten op het bestaande arbeidsaanbod.  Het rendement van deze inspanning wordt duidelijk aan de hand van het begrip inclusieve economie. 

Non-profit bestaat niet

De inclusieve economie waardeert het verband tussen het productieve en het sociale vermogen in een samenleving. Indicatoren voor productief vermogen zijn de niveaus van ingezette arbeid, kapitaal en technologie en de toegevoegde waarde die ze opleveren. Indicatoren voor sociaal vermogen zijn het niveau van menselijk kapitaal, het functioneren van instituties en de mate waarin uitsluiting van individuen en groepen ontbreekt.  Uitsluiting, of die nu sociaal of economisch is, keert zich uiteindelijk tegen de uitsluiters. Insluiting is daarmee in ieders belang.  De inclusieve economie integreert de kenmerken van de reguliere en de sociale economie. Zowel reguliere als sociale ondernemingen richten zich voornamelijk op één waarde: de ene op financiële winstmaximalisatie, de andere op de realisatie van een maatschappelijk doel. De kosten van deze ‘eenwaardigheid’ vallen in beide gevallen buiten de onderneming zelf. De inclusieve economie waardeert het vergroten van het productieve én het sociale vermogen als winst, ongeacht de organisatievorm en ongeacht de sector. Kern van de inclusieve economie is dus meerwaardigheid.  Vanuit de overheid gezien bevindt de inclusieve economie zich op het snijvlak van economische en sociale politiek. Er is immers niet alleen een positief verband tussen participatie op de arbeidsmarkt en economische groei, maar ook tussen participatie en veiligheid, gezondheid, sociaal en politiek burgerschap en overdracht van menselijk kapitaal aan volgende generaties in de vorm van kennis, competenties, veerkracht en energie.  Werk is daarom meer dan een simpele transactie, een productiefactor waar een financiële vergoeding tegenover staat. Arbeidsparticipatie dient meerdere doelen en is de sleutel tot sociale stijging. De extra waarden legitimeren ook de extra (financiële) inspanningen die nodig zijn om belemmeringen op te ruimen die participatie in de weg staan. 

DE WINST VAN DE INCLUSIEVE ECONOMIE

Winst voor bedrijven

In de huidige wereldeconomie moet de productiviteit van werknemers in landen met een relatief hoog salarisniveau behoorlijk groot zijn om in de micro-economie van het bedrijf te renderen. Veel tussenlagen zijn daarom weggesneden. Werkgevers nemen liever te hoog gekwalificeerde mensen aan die niet of nauwelijks ingewerkt hoeven worden dan medewerkers die meer begeleiding nodig hebben.  Het is voor ondernemers geen voor de hand liggende keuze om in zee te gaan met mensen die minder dan het minimumloon opleveren aan omzet of hun loonwaarde (nog) niet aan kunnen tonen. Toch kunnen ze – naast het terugdringen van de belasting- en premiedruk die voortvloeit uit de maatschappelijke kosten van non-participatie - op meerdere fronten winst behalen en uiteindelijk hun totale productiviteit verhogen.  Door mensen in een werkomgeving te plaatsen, wordt hun intrinsieke motivatie aangeboord. Voordeel van medewerkers die op een lager ontwikkelingsniveau in een bedrijf binnenkomen is dat ze weliswaar nog uit moeten vinden waar hun hart sneller van gaat kloppen, maar dat werkgevers dat proces kunnen sturen waardoor ze uiteindelijk de juiste ‘fit’ realiseren. De inzet van de ervaring en deskundigheid van oudere werknemers volgens het meester-gezelmodel verlengt bij hen de inzetbaarheid en vergroot hun werkplezier.  Ervaren krachten besteden gemiddeld dertig procent van hun tijd aan taken onder hun niveau; afsplitsing van die taken schept bij hen ruimte voor hernieuwde inzet, initiatief en creativiteit. Mensen die in de laagste schalen een bedrijf instromen zijn goed te binden door het perspectief van een geleidelijke carrière. Zij zijn gebaat bij een trapsgewijze toename van taken en verantwoordelijkheden. Juist als ze belemmeringen hebben moeten overwinnen zijn ze extra gemotiveerd om te presteren. Werknemers die te hoog gekwalificeerd zijn binnengekomen, zijn ook sneller weer uitgekeken waardoor ze vertrekken of hun energie verliezen als ze te lang blijven zitten.  Betrokkenheid genereert altijd productiviteit. De in-company ontwikkeling van personeel helpt mee om te voorkomen dat er gaten vallen in de personeelsbezetting door de vergrijzing en waarborgt zo de bedrijfscontinuïteit. Er kan uit de eigen kweekvijver worden gevist. Duur betaalde overuren en inhuur nemen af. Minder outsourcing en meer eigenaarschap voorkomen tijd- en geldverspilling. 

Winst voor individuen
Deelname aan het arbeidsproces heeft voor werkenden meerdere opbrengsten.  Werk vertegenwoordigt natuurlijk een economische waarde. Mensen ontvangen inkomen in ruil voor hun geleverde arbeid, kunnen producten en diensten kopen, betalen belasting en lopen minder kans in een schuldenspiraal terecht te komen. Werk vertegenwoordigt ook een aantal maatschappelijke waarden.  Toekomstperspectief, sociale contacten, ontplooiingskansen, zinvolle tijdsbesteding, zelfrespect en waardering door de omgeving. Werkenden zijn gezonder dan mensen die langdurig afhankelijk zijn van een uitkering en doen minder een beroep op zorgvoorzieningen. 

Winst voor de BV Nederland
Hoe minder mensen aan de kant staan, hoe minder werknemers en werkgevers af hoeven dragen ten behoeve van de niet-werkenden, hoe hoger de belastinginkomsten en hoe kleiner het vergrijzingsprobleem. Het beroep op de zorg en de uitgaven voor veiligheid nemen af naarmate meer mensen deelnemen. Hoe meer mensen zich ontwikkelen, hoe meer ze kunnen meegeven aan hun kinderen. Hoe meer mensen in hun eigen inkomen voorzien, hoe collectiever dat arbeidspatroon aan de volgende generatie wordt overgedragen.  We beoordelen mensen nu te digitaal: ze doen mee of ze doen niet mee. Het wordt tijd onze sociale systemen efficiënter uit te nutten. Het rendeert meer om alle productiviteit die er is te gebruiken, ook al is die op het niveau van het individu geen honderd procent. De terughoudendheid bij uitkeringsinstanties om mensen in deeltijd of in tijdelijke banen te laten werken is niet rationeel. Werkervaring vergemakkelijkt altijd het vinden van ander werk. Bovendien kan ontwikkeling zowel horizontaal plaatsvinden (toename van vakbekwaamheid) als verticaal (toename van flexibele inzetbaarheid). We hebben oranje twilightzones nodig tussen het groen van volop meedoen en het rood van buitensluiten. Net zoals publiek en privaat onder invloed van de economische crisis samenwerken in de deeltijd-WW om acuut verlies van potentieel te voorkomen, loont het altijd om onbenut potentieel gezamenlijk productief te maken en de kosten en baten daarvan te delen. 

Een andere totstandkomingstechnologie
Voorwaarde voor het beter benutten van die potentiële toegevoegde waarde is het anders inrichten van bedrijfsprocessen. Dat kan door functiedifferentiatie (het effectiever toedelen van taken aan functies), waardoor meer lager gekwalificeerde werknemers in het arbeidsproces kunnen instromen, de arbeidssatisfactie van hoger gekwalificeerd personeel groeit en de productiviteit per saldo toeneemt. Dat kan door oudere werknemers die fysiek een stapje terug moeten doen in te zetten als mentoren, door ruimte te scheppen voor meester-gezelconstructies. Dat kan door soms meer gebruik te maken van mensen dan machines of productieslagen terug te halen. Dat kan door het lef te hebben vanzelfsprekendheden op hun geldigheid te onderzoeken, van werkroosters tot cultureel bepaalde omgangsvormen. Dat kan door de praktijkscholen in de bedrijven te brengen. Dat kan door hogescholen een opleiding te laten ontwikkelen om de totstandkomingstechnologie in bedrijven aan te passen. Dat kan door meer te denken in termen van human being dan van human resource. Dat kan door gebruik te maken van alle (financiële) ondersteuningsmogelijkheden die de overheid te bieden heeft.  We gaan voorbeeldbedrijven in elke relevante sector creëren. We verleiden individuele bedrijven naar de voorbeeldfunctie en zetten zo een kettingreactie in gang. Waar nodig financieren we uit publieke middelen het productiviteitstekort van de mens, de begeleiding en de scholing. De overheid houdt de administratieve rompslomp beperkt en levert waar gewenst expertise en jobcoaches. In een toenemend aantal bedrijven lopen of starten grote en kleine initiatieven. Met elkaar kunnen we een reeks varianten op poten zetten die aansluiten op de specifieke omstandigheden van elk bedrijf.

Bureau Arbeidsmarktmeester

Werk voor Rotterdammers

zondag, april 11, 2010

Van Human Resource naar Human Being

Van efficiency naar effectiviteit

This is the first day of the rest of your life